De wetenschap en Genesis

Veel mensen beweren dat de wetenschap in strijd is met het scheppingsverhaal van de Bijbel. Maar in feite is het geen conflict tussen de wetenschap en de Bijbel, maar tussen de wetenschap en de opvattingen van christelijke fundamentalisten. Sommige van deze groeperingen beweren ten onrechte dat volgens de Bijbel de hele stoffelijke schepping zo’n tienduizend jaar geleden in zes dagen van 24 uur werd voortgebracht. Het Hebreeuwse woord dat met „dag” vertaald is, kan echter op diverse tijdsperiodes duiden en hoeft niet alleen op een periode van 24 uur te slaan. Toen Mozes Gods scheppingswerken samenvatte, sprak hij bijvoorbeeld over alle zes de scheppingsdagen als één dag (Genesis 2:4). Bovendien noemde God op de eerste scheppingsdag „het licht voortaan Dag, maar de duisternis noemde hij Nacht” (Genesis 1:5). Hier wordt de term ’dag’ gebruikt voor slechts een deel van een periode van 24 uur. De Bijbel biedt dus absoluut geen basis om te beweren dat elke scheppingsdag 24 uur duurde.
Ook in de nederlandse taal kan het woord “dag” meerdere betekenissen hebben en wordt er niet altijd een periode van 24 uur mee bedoeld. Bijvoorbeeld: in de zin “De man heeft op zijn oude dag nog een fietstocht naar Afrika gemaakt” duidt het woord “dag” op een periode van ouderdom die zelfs meerdere jaren kan duren. Foto 1.

Foto 1 De óude dag’van deze man duurt ook langer dan 24 uur.

Valt de evolutietheorie te rijmen met de Bijbel?
Volgens de Bijbel heeft God ‘alle dingen geschapen’ (Openbaring 4:11). Hij ging pas ‘rusten’ toen hij klaar was met zijn scheppingswerk (Genesis 2:2). Het idee is duidelijk: God maakte niet een eenvoudig organisme om vervolgens te gaan rusten of achterover te leunen, terwijl dat organisme gedurende miljoenen jaren evolueerde tot verschillende soorten vissen, apen en mensen. Dat idee, macro-evolutie genoemd, ontkent de rol van een Maker, die volgens de Bijbel ‘de hemel en de aarde, de zee en alles wat daarin is’ heeft gemaakt (Exodus 20:11; Openbaring 10:6).

‘Gij, Jehovah, ja onze God, zijt waardig de heerlijkheid en de eer en de kracht te ontvangen, want gij hebt alle dingen geschapen’ (Openbaring 4:11)

Hoe kwam Mozes aan die wetenschappelijk nauwkeurige informatie?
Op grond van hun filosofische opvattingen verwerpen veel wetenschappers de vermelding in de Bijbel dat God alle dingen schiep. Maar het is interessant dat Mozes al in het Bijbelboek Genesis schreef dat het universum een begin had en dat er geleidelijk, in stadia, in de loop van bepaalde tijdsperiodes leven verscheen. Hoe kon Mozes zo’n 3500 jaar geleden aan zulke wetenschappelijk nauwkeurige informatie komen? Daar is maar één logische verklaring voor. Degene die de macht en de wijsheid bezat om de hemel en de aarde te scheppen, was zeker in staat Mozes zulke geavanceerde kennis te geven. Dit versterkt de aanspraak die de Bijbel erop maakt „door God geïnspireerd” te zijn (2 Timotheüs 3:16).

Wanneer was „het begin”?
Genesis begint met de eenvoudige, krachtige uitspraak: „In het begin schiep God de hemel en de aarde” (Genesis 1:1). Verschillende Bijbelgeleerden zijn van mening dat hier een handeling wordt omschreven die losstaat van de scheppingsdagen die vanaf vers 3 worden opgesomd. Dat is van grote betekenis. Volgens de beginwoorden van de Bijbel bestond het universum, inclusief onze planeet Aarde, al gedurende een onbepaalde tijdsperiode voordat de scheppingsdagen begonnen. Tijdens deze scheppingsdagen maakte de Schepper speciaal de Aarde verder gereed voor bewoning door mensen en vele diersoorten.
Geologen schatten dat de aarde vier miljard jaar oud is, en astronomen hebben berekend dat het universum misschien zelfs al vijftien miljard jaar bestaat. Zijn deze bevindingen — of eventuele toekomstige verfijningen ervan — in strijd met Genesis 1:1? Nee, de Bijbel zegt niet specifiek hoe oud „de hemel en de aarde” precies zijn. De wetenschap en de Bijbel spreken elkaar hier niet tegen.

Zes scheppingsperiodes
Mozes schreef zijn verslag in het Hebreeuws, en hij schreef het vanuit het perspectief van iemand die zich op aarde bevindt. Deze twee feiten, gecombineerd met het gegeven dat het universum al bestond vóór het begin van de scheppingsperiodes of -dagen, zijn een hulp om veel van de controverses rond het scheppingsverhaal op te lossen. Een nauwkeurig onderzoek van het verslag in Genesis laat zien dat gebeurtenissen die zich tijdens één dag begonnen te voltrekken, voortduurden in een of meer van de volgende dagen. Voordat bijvoorbeeld de eerste scheppingsdag begon, kon het licht van de reeds bestaande zon het aardoppervlak niet bereiken, mogelijk als gevolg van dikke wolkenlagen (Job 38:9). Tijdens de eerste dag begon dit wolkendek dunner te worden, waardoor diffuus licht de atmosfeer kon binnendringen.
Op de tweede dag bleef de atmosfeer kennelijk helderder worden, waardoor er ruimte ontstond tussen de dikke wolkenlagen boven en de oceaan beneden. Op de vierde dag was de atmosfeer geleidelijk zo helder geworden dat de zon en de maan „aan het uitspansel van de hemel” verschenen (Genesis 1:14-16). Met andere woorden, vanuit het perspectief van iemand op aarde begonnen de zon en de maan zichtbaar te worden. Dit gebeurde geleidelijk.
Genesis vertelt ook dat er op de vijfde dag „vliegende schepselen” — inclusief insecten — begonnen te verschijnen.

Afb. 2. De verschillende dieren werden rechtstreeks “naar hun soort” geschapen.

„Naar hun soort”

Het verslag in de Bijbel laat ruimte voor de mogelijkheid dat bepaalde belangrijke gebeurtenissen zich geleidelijk tijdens elke dag of scheppingsperiode hebben voorgedaan in plaats van plotseling, en dat sommige daarvan zelfs voortduurden in de volgende scheppingsdagen.

Betekent deze geleidelijke verschijning van planten en dieren dat God gebruik heeft gemaakt van evolutie om de enorme diversiteit aan levensvormen voort te brengen? Nee, het verslag zegt duidelijk dat God alle hoofdsoorten van de planten- en dierenwereld schiep (Genesis 1:11, 12, 20-25). Werden deze oorspronkelijke soorten geprogrammeerd om zich aan veranderende milieuomstandigheden aan te kunnen passen? Waardoor worden de grenzen van een soort bepaald? De Bijbel zegt hier niets over, maar zegt wel dat levende schepselen werden geschapen „naar hun soort” (Genesis 1:21). Deze vermelding duidt erop dat er een limiet is aan de hoeveelheid variatie die zich binnen een soort kan voordoen. Zowel de gevonden fossielen als recent onderzoek ondersteunen het concept dat de fundamentele categorieën van planten en dieren in de loop van enorme tijdsperiodes weinig veranderd zijn.

Wat bewijzen de fossielen?

Het Bulletin van Chicago’s Field Museum of Natural History zette uiteen: „Darwins theorie is altijd nauw in verband gebracht met bewijsmateriaal van fossielen, en waarschijnlijk nemen de meeste mensen aan dat fossielen een zeer belangrijk deel vormen van de algemene bewijsvoering ten gunste van darwinistische interpretaties van de geschiedenis van het leven. Jammer genoeg is dit niet helemaal waar. . . . het geologische verslag verschafte destijds geen fijn gegradueerde keten van langzame en progressieve evolutie, en doet dat nog steeds niet.” — Januari 1979, Deel 50, nr. 1, blz. 22, 23.

De paleontoloog Alfred Romer schreef: „Onder deze [Cambriumperiode] bevinden zich uitgestrekte lagen afzettingen waarin men de voorouders van de Cambriumvormen zou mogen verwachten. Maar wij vinden ze niet; deze oudere lagen bevatten nagenoeg geen bewijzen van leven, en men zou redelijkerwijs kunnen zeggen dat het algemene beeld overeenkomt met de gedachte van een afzonderlijke schepping aan het begin van het Cambrium.” — Natural History, oktober 1959, blz. 467.

De bioloog Harold Coffin zegt: „Indien een geleidelijke evolutie van eenvoudig naar ingewikkeld correct is, dan moeten de voorouders van deze volledig ontwikkelde levende wezens uit het Cambrium worden gevonden; maar ze zijn niet gevonden, en geleerden geven toe dat er weinig kans bestaat dat ze ooit worden gevonden. Op basis van louter de feiten, op basis van wat in werkelijkheid in de aarde is gevonden, is de theorie die het beste klopt, die van een plotselinge scheppingsdaad waarbij de voornaamste levensvormen tot stand kwamen.” — Liberty, september/oktober 1975, blz. 12.

Carl Sagan gaf in zijn boek Cosmos eerlijk toe: „De fossiele vondsten konden het denkbeeld van een grote Ontwerper onderstrepen.” — (Ned. vertaling, 1981), blz. 28.

Advertenties

Over gervanpoelgeest

gepensioneerd constructeur, natuurliefhebber
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.