Utricularia of Blaasjeskruid: een opzienbarend plantje.

In mijn vorige artikel maakte ik je al attent op het bijzondere waterplantje Utricularia of Blaasjeskruid. Het heeft namelijk zuigblaasjes aan zijn loten waarmee het kleine, in het water levende, diertjes kan vangen en verteren. Deze zuigblaasjes zijn slechts 5 mm groot, maar zoals de sterk vergrootte afbeelding hieronder laat zien, voorzien van een ingenieus ontworpen vangsysteem. In wetenschappelijke kringen werd en wordt er nog steeds heel wat discussie gevoerd over het ontstaan van de complexe “zuigval” die dit plantje gebruikt. (Zie Afb. 1a en 1b)

Nu vertelt bovenstaand plaatje ook niet alles over de werking van de val. Daarom nodig ik jou als geïnteresseerde lezer uit om ook even naar een kort engelstalig animatiefilmpje te kijken. In de nederlandse taal kan de werking alsvolgt worden beschreven: Zodra de rode watervlo de gevoelige antennes vóór de mondopening aanraakt, beweegt de naar binnen openende scharnierende klep razend snel. De snelle klepbeweging (0,02 sec.) veroorzaakt een vacuum en de vlo wordt hierdoor naar binnen gezogen. Omdat ook in de holte van de blaas onderdruk heerst zullen de wanden van de blaas na het openen van de klep ook uitzetten, waardoor ook de hele blaas meehelpt aan het naar binnen zuigen van de prooi. Let er wel op dat de klepbeweging in de animatie voor de duidelijkheid sterk vertraagd is. In werkelijkheid gebeurt het dichtklappen van de klep 500 keer sneller dan in de animatie. Dit is wel ‘de snelste beweging in het plantenrijk’ genoemd. Eenmaal gevangen geven inwendige vierarmige klieren enzymen af waardoor de watervlo verteert. De verteerde resten worden vervolgens in voor de plant bruikbare proteïnen omgezet. Hier onder de link naar het animatiefilmpje. Merk op dat boven de animatie de ‘originele grootte’ van de zuigval is aangegeven. (Het kan nodig zijn dat je, om de animatie te kunnen zien, Flash Player eerst even moet downloaden)
http://www.unser-auge.de/utricularia-vulgaris/utricularia-vulgaris-en.html

Schepping of evolutie?
De cruciale vraag is natuurlijk: Is het complexe vangsysteem van het Blaasjeskruid (Utricularia) geleidelijk via duizenden kleine mutaties met behulp van natuurlijke selectie geëvolueerd of werd het door een intelligente Schepper ontworpen en gemaakt? Wat zegt een deskundige onderzoeker daarover?
Dr. Wolf-Ekkehard Lönnig, gepensioneerde bioloog aan het Max Planck-instituut voor plantenveredelingsonderzoek in Duitsland, waarmee hij 25 jaar lang verbonden was, heeft veel onderzoek gedaan naar carnivore (vleesetende) plantjes. Hij schreef er zelfs een 275 bladzijden tellend boek* over waarin hij, stap voor stap, beargumenteert dat de evolutietheorie geen duidelijke verklaring biedt voor de unieke kenmerken van deze planten. Hij haalt veel uitspraken van andere onderzoekers aan en vermeldt ook precies de bronnen waar deze kunnen worden teruggevonden. (Het boek zou volgens mij daarom ook uitstekend als studieboek door biologiestudenten kunnen worden gebruikt.) Op de laatste bladzijde van zijn Duitstalig boek, (dat je ook in zijn geheel op het internet kunt lezen*), staat een aanvullende lijst waarop negen andere deskundigen lovende commentaren op zijn boek geven. Wegens ruimtegebrek heb ik er daarvan slechts twee vertaald en geciteerd. Maar ik denk dat hun commentaren je niettemin een goed beeld zullen geven van de discussie die gaande is en de kwaliteit van de bijdrage die Lönnig daar aan heeft gegeven.

* Het boekDie Evolution der karnivoren Pflanzen: Was die Selektion nicht leisten kann. Das Beispiel – Utricularia (Wasserschlauch)” is te bestellen op Lönnigs website en is als e-boek te lezen op: http://www.weloennig.de/Utricularia2011Buch.pdf

Hoe wordt het boek gewaardeerd?
1. Het eerste commentaar wordt gegeven door Professor Dr. Granville Sewell van de Universiteit El Paso. Hij is een wiskundige die, onafhankelijk van de biologische auteurs, de problematiek van de Zuigval (het zuigblaasje van de Utricularia) heeft vastgesteld. Hij zegt:
“In elke familie van zowel het planten- als het dierenrijk zijn er soorten waarvan het plotseling verschijnen en de onherleidbaar complexe kenmerken problemen voor het neo-darwinisme veroorzaken. Maar bepaalde vleesetende planten doen dat op zo’n spectaculaire manier dat zij al een aandachtspunt vormen in het darwinistische debat vanaf de tijd dat Alfred Wallace Darwin waarschuwde voor de problemen die zouden voortkomen uit het Utricularia-plantje. Hij zei: “Ik voel echt dat ze de kans zullen aangrijpen om te zeggen dat dit “niet te verklaren valt met Natuurlijke Selectie” en hij verzocht hem dringend om deze moeilijkheden in een toekomstige editie van zijn boek “On the Origin of Species” op te nemen.** Darwin deed dit nimmer, maar enkele recentere auteurs hebben wel geprobeerd om diverse, met schepping strijdige, verklaringen te geven voor dit spectaculaire voorbeeld van onherleidbare complexiteit. W.E. Lönnig antwoordt deze auteurs zeer gedetailleerd en toont aan dat “na meer dan 135 jaar van verder onderzoek ook het hedendaagse Darwinisme deze vragen nog steeds niet bevredigender kan beantwoorden dan Darwin dat kon. En de problemen zijn alleen maar toegenomen.””

** De brief gedateerd 21 Juli 1875 van Wallace aan Darwin staat in zijn geheel op blz. 145 van Lönnigs boek.

2. Het tweede commentaar is afkomstig van Fritz Poppenberg. Hij is filmmaker en maakte bestseller – dokumentaires over thema’s als evolutie, intelligent design en schepping: (Heeft de bijbel toch gelijk? God gooit niet met dobbelstenen. De val van de aapmensen.) Poppenberg zegt:
“Wolf-Ekkehard Lönnig herinnert mij aan een Aikido-meester. Want net zoals die de agressieve energie van de tegenstander opvangt, omzet en tegen de tegenstander zelf richt, zo gaat de Keulse geneticus Lönnig in dit werk om met zijn opponenten. Hun dikwijls twijfelachtige argumenten blijven bij de precisie en elegantie van zijn wetenschappelijke antwoorden niet overeind. Wat mag de pleitbezorgers van de evolutieleer ertoe gebracht hebben om een onderzoeker als Wolf-Ekkehard Lönnig op zijn specialistisch gebied aan te vallen: dat van de vleesetende planten? Lönnig benut de gelegenheid en heeft een prachtig werk neergezet dat dwingend duidelijk maakt: De vleesetende Waterzuiger (of Zuigval) is niet door evolutie maar door Intelligent Ontwerp ontstaan.”

De geschiedenis achter de ontdekking van de werking van Utricularia.
De gedachte van Darwin was dat de vangblaasjes zich uit normale bladeren zouden hebben ontwikkeld. Charles Darwin had trouwens ook nog een verkeerd idee over de werking van de val. Hij was niet bekend met de zuigwerking, maar meende nog dat het prooidiertje zelf de valdeur openduwde, zich door de opening naar binnen wurmde om dan binnen te bemerken dat het gevangen zat. Het was Mary Treat, die in 1876 ontdekte dat de prooi niet in de val zwom, maar eerder werd opgezogen als de valdeur zich opende en daardoor in het blaasje opgesloten werd. Het zal je duidelijk zijn dat naarmate de werking gecompliceerder blijkt te zijn, dit de waarschijnlijkheid dat het vangsysteem door louter toeval is ontstaan doet afnemen.

Vragen die terecht kunnen worden gesteld over een ontstaan door evolutie.
Het is voor mij natuurlijk ondoenlijk om hier alle beweringen van evolutionisten en de punt-voor-punt-weerleggingen daarvan door Lönnig in zijn 275 tellend boek voor je samen te vatten. Als je werkelijk wilt weten wat de bezwaren zijn die er nog steeds aan de evolutietheorie en de theorie van natuurlijke selectie kleven raad ik je aan het bovengenoemde boek* zelf te bestuderen. Maar een paar puntjes wil ik hier wel nog wel noemen:

1. De holle blaasjes van Utricularias zijn afgesloten met uiterst precies sluitende kleine deurtjes. Hoe zouden die via “ontelbare kleine tussenstappen”met (onbewezen) maar beslissende selectievoordelen waterdicht zijn geworden? Deze vraag is niet nieuw, maar er is nog steeds geen aannemelijk antwoord opgegeven.
Lönnig wijst er op dat Robert Nachtwey dit in 1959 ook al vroeg:
‘Welke niet-directionele mutatie had als eerste moeten optreden in een normale bladtip en vervolgens een selectief voordeel hebben getoond? Zonder een voordeel zou het als triviaal zijn verloren. De moderne synthese benadrukt sterk dat mutatie en selectie moeten samenwerken om nieuwe structuren te genereren. Dus, door welke blinde mutaties moet de afzuigklep zijn ontstaan?

2. En met betrekking tot het probleem van verdere evolutiestadia ging Nachtwey verder:
‘Zelfs een perfecte afzuigklep met het verbazingwekkende vermogen om snel dieren te vangen, zou geen voordeel hebben in de strijd voor het leven omdat de prooi niet verteerd zou worden. Omgekeerd zou de productie van zeer effectieve spijsverteringssappen nutteloos zijn voor de punt van een blad zolang het de prooi niet kon vangen, wat absoluut noodzakelijk is. Maar zelfs als zuiginstallaties en spijsverteringssappen zouden samenwerken, zou er nog steeds niets gewonnen zijn in de strijd om het leven. De opgeloste eiwitten moeten ook worden geabsorbeerd en gemetaboliseerd tot soortspecifieke eiwitten. De vorming van de afzuigsluis vereist de perfecte samenwerking van veel verschillende genen en ontwikkelingsfactoren. Pas aan het eind wordt een voordeel bereikt in de strijd om het leven, maar niet in een evolutionair stadium.’

3. Er is evolutionisten veel aangelegen het te doen voorkomen alsof planten genetisch eenvoudig in elkaar zitten en dus gemakkelijk konden evolueren. De evolutionist Martin Neukamm heeft het bijvoorbeeld over “de lage complexiteit en modulariteit van de planten in het algemeen.” Maar zijn planten over het algemeen werkelijk niet zo complex? Niet volgens de ervaren en attente onderzoeker Lönnig. Die zag onmiddellijk dat dit een misvatting is en haalt deze truc op ‘elegante’ manier onderuit. Hoe? Op bladzijde 111 weerlegt Lönnig deze foute opmerking uitstekend met onderstaand schema dat in het blad “Journal of Cell Science” nr. 113 op pagina 3547 en 3548 werd getoond. Daaruit blijkt dat er bij de plant complexe genetische en scheikundige verbanden aanwezig zijn. Het schema werd gepubliceerd in 2000 en is nu eigenlijk alweer achterhaald. Lönnig zegt er in het onderschrift dan ook bij dat er eigenlijk sindsdien nog andere, tot dan toe nog onbekende genen en proteïnen, aan zouden moeten worden toegevoegd.

Afb. 2 Het complexe genenschema van een plant of bloem.

De discussie wordt helaas niet altijd eerlijk gevoerd.
Dat was mij eerlijk gezegd ook al opgevallen. Om hun zwakke theorie te verdedigen schromen evolutionistische ‘wetenschappers’ niet om te bluffen en arrogant te doen alsof alles wat zij beweren al heel goed is bewezen en dat je er dus vooral niet aan mag twijfelen. (Ik plaatste ‘wetenschappers’ bewust tussen aanhalingstekens omdat ik deze methode niet erg wetenschappelijk vind. Echte wetenschappers zouden juist blij moeten zijn met kritische vragen omdat daar al of niet de juistheid van een theorie door aan het licht kan komen). Lönnig geeft ook verschillende voorbeelden van wetenschappers die zelfs dwangmatig te werk gaan door mensen echt belachelijk te maken als ze niet in evolutie geloven. Waarom die druk? Zijn ze misschien bang dat hun geliefde theorie toch ontmaskerd wordt als fantasie?

Waarom de factor tijd er dikwijls bij wordt gehaald.
Ik eindig dit intussen toch wel uitgebreid geworden stukje met een rake uitspraak van J.H. Fabre, pionier op het gebied van entomologie (insectenkunde), gedragswetenschapper:
“Wanneer de moeilijkheden [voor de selectie-theorie] te groot worden, vlucht men achter de nevelen van de eeuwen [en miljoenen jaren], verbergt men zich in de duisternis van het verleden, voor zover de verbeeldingskracht het toelaat, beroept men zich op tijd, de factor waarop we zo weinig invloed hebben en die daarom zo geschikt is om fantasieën te versluieren.”

Over gervanpoelgeest

gepensioneerd constructeur, natuurliefhebber
Dit bericht werd geplaatst in chemie, Intelligent Design, Natuur, Onderwijs over Intelligent Design, Planten en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.