De rol van insecten bij de bloembestuiving.

Foto 1. Titelpagina van "Geheimnis der Natur" door C.K. Sprengel.

Foto 1. Titelpagina van “Geheimnis der Natur” door C.K. Sprengel.

Christian Konrad Sprengel (1750-1816) observeerde seizoenen lang bloemen en insecten en hij beschreef nauwkeurig de bloemstructuren en zijn conclusies over hun functies legde hij vast in een lijvig boek “Das entdeckte Geheimnis der Natur in Bau und in der Befruchtung der Blumen”. (Zie Foto 1) Dit boek dat verscheen in 1793, bevat verslagen van waarnemingen aan ruim 450 soorten planten en de insecten die hun bloemen bezoeken. Het boek bevat ook veel detailtekeningen en 25 kopergravures. Sprengel leidde het boek alsvolgt in:
“Toen ik in de zomer van 1787 de bloem van bosooievaarsbek (Geranium sylvaticum) (Zie Foto 2.) nauwkeurig bekeek, merkte ik op dat het laagste deel van de bloemkroonbladeren op de binnenzijde en langs de randen fijn en dichtbehaard was. Omdat ik overtuigd ben dat de alwijze Schepper niet één enkel haartje zonder een doel heeft voortgebracht, overdacht ik welk nut deze haren wel zouden kunnen hebben. Al spoedig besloot ik dat indien de door de vijf klieren afgescheiden vijf nectardruppels tot voedsel van bepaalde insecten zouden moeten dienen, redelijkerwijs verwacht zou mogen worden dat dit sap niet door regen verloren zou kunnen gaan en deze haren hier hun plaats kregen om dat doel te bereiken.”
De functie van deze haartjes boven de nectardruppeltjes vergelijkt Sprengel dus met die van wenkbrauwen, die regenwater en zweet uit onze ogen moeten houden. Deze regenweringen, die in nectarhoudende bloemen steeds aanwezig blijken, beletten insecten echter niet om met hun monddelen bij de nectar te komen. Er zijn overigens ook bloemen die niet door insecten worden bezocht: kleur- en geurloze onooglijke bloemen die geen nectar maken. Daarbij zorgen mechanische krachten, zoals de wind, voor de bestuiving. Windbloeiers maken opvallend veel meer stuifmeel aan en het stuifmeel is poedervormig en niet kleverig.

Foto 2.  Bosooievaarsbek (Geranium sylvaticum) bezocht door een vlinder.

Foto 2. Bosooievaarsbek (Geranium sylvaticum) bezocht door een vlinder.

Ontworpen met een doel
Sprengel ontdekte ook de theorie dat de bouw van nectar producerende bloemen tot in alle details een duidelijk doel heeft: door insecten te worden bestoven. Deze gedachte stuitte aanvankelijk op veel weerstand. In die tijd waren veldwaarnemingen en experimenten niet gebruikelijk in de plantkunde. Sprengels tijdgenoten werkten vrijwel uitsluitend met gedroogd herbariummateriaal en theoretiseerden zonder experimentele toetsing. Vakgenoten konden de betekenis van resultaten, verkregen met methoden waarmee zij niet vertrouwd waren, dan ook moeilijk op hun waarde schatten. Maar zelfs in kerkelijke kringen waren zijn stellige uitspraken over de doelgerichtheid van organen en organismen een doorn in het oog: De schepping mocht niet worden beschouwd als planmatig geconstrueerd, waardoor de mens zich zou kunnen verbeelden de verschillende functies te kunnen begrijpen. Pas 70 jaar later ontving zijn boek Geheimnis der Natur de erkenning die het toekomt. Het blijft, achteraf gezien, onbegrijpelijk dat de betekenis van de innige relatie van bloemen met insecten pas zo laat in de geschiedenis van de biologie erkend werd.

Probleem voor evolutionisten
Trouwens: Wanneer evolutie waar zou zijn, zou deze theorie ook logisch moeten kunnen verklaren hoe deze innige relatie tussen bloemen en insecten tot stand is gekomen. Als bloemen en insecten onafhankelijk van elkaar tot bestaan zijn gekomen, zouden er heel wat wonderen moeten hebben plaatsgevonden om te maken dat de vele soorten bloemen en insecten door hun vorm en andere eigenschappen op elkaar afgestemd werden. De kans dat dit toevallig, zonder begeleiding, zou zijn gebeurd is nihil. De relatie kan echter wèl logisch worden verklaard als we, net als Sprengel, in een “alwijze Schepper” geloven. Alleen een intelligente Ontwerper zou planten en insecten zo kunnen ontwerpen dat ze elkaar qua soort mooi aanvullen.

Bloemtrouw
De Schepper heeft bloemen ook het vermogen gegeven om allerlei kleurstoffen aan te maken. Dat is erg handig, want insecten kunnen daardoor op afstand in een gemengde vegetatie al bepaalde bloemen onderscheiden. Als alle bloemen groen zouden zijn zou dat veel moeilijker zijn. De Schepper heeft er ook voor gezorgd dat insecten (tijdelijk) trouw zijn aan een bloemsoort. Deze strategie heeft niet alleen voordeel voor het insect maar ook voor de plant. Honingbijen, maar ook andere bloembezoekers , zoals vlinders, zweefvliegen en kevers foerageren in principe op één bepaalde bloemsoort. Door onderzoek van het stuifmeel onder een microscoop* kon bijvoorbeeld worden vastgesteld dat 81% van de honingbijen na een foerageertocht stuifmeel van slechts één bloemsoort aandraagt. Bij de 19% van het totaal aantal bijen dat wel stuifmeelmengsels aanleverde was maximaal 5% ‘verkeerd’ stuifmeel. Wie heeft deze, in het instinct van het dier vastgelegde vermogens, geprogrammeerd? Was het toeval of doelbewust ontwerp?

• Onder de microscoop is de herkomst van de pollenkorrels goed te herkennen aan de hand van hun uitwendige structuur (Zie Foto 3.)

Foto 3.  Een mengsel van diverse soorten stuifmeelkorrels

Foto 3. Een mengsel van diverse soorten stuifmeelkorrels

Advertenties

Over gervanpoelgeest

gepensioneerd constructeur, natuurliefhebber
Afbeelding | Dit bericht werd geplaatst in Insecten, Intelligent Design, Natuur, Planten, Wetenschap en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.