Gebrek aan bewijs voor macro-evolutie. Fossielenverslag steunt het scheppingsverslag.

Veel wetenschappers hebben opgemerkt dat de afstammelingen van levende wezens in de loop van de tijd enigszins kunnen veranderen. Zo kunnen door selectie honden gefokt worden met kortere poten of langer haar dan hun voorouders. Sommige wetenschappers noemen zulke kleine veranderingen micro-evolutie. Daar is op zich niets mis mee. Maar evolutionisten zeggen ook dat kleine veranderingen zich in de loop van miljarden jaren hebben opgestapeld en de grote veranderingen hebben teweeggebracht die nodig waren om vissen in amfibieën, en aapachtige wezens in mensen te veranderen. Deze veronderstelde grote veranderingen worden ook wel macro-evolutie genoemd.  In dit verhaal  geef ik argumenten dat macro-evolutie niet bewezen is,  maar berust op een aantal veronderstellingen of aannames.

De eerste veronderstelling is dat men claimt dat evolutionaire ontwikkeling ooit spontaan begon. Dat zou betekenen dat dode chemische stoffen spontaan tot leven kwamen en zich op een of andere manier konden reproduceren. Waarom berust dat idee op een veronderstelling? Omdat ze het niet na kunnen doen. Onderzoekers hebben tegenwoordig allerlei goed toegeruste laboratoria, ze hebben allerlei soorten chemicaliën en ook zeer krachtige computers.  Als evolutie waar is zouden intelligente wetenschappers toch, beter dan het toeval dat kan, in staat moeten zijn om alle benodigde chemicaliën in de juiste verhouding door elkaar te mengen  en er voor te zorgen dat ze tot leven komen?  Dat zou dan inderdaad het bewijs vormen, want evolutie veronderstelt dat dat op een keer in het verleden is gebeurd.   Maar men kan dat niet. Men nam dus aan dat dood materiaal spontaan levend werd, maar  er is geen enkel bewijs dat het ooit is gebeurd.

De tweede veronderstelling is dat sommigen zeggen dat dit slechts één keer gebeurde. Waarom zeggen ze dat? De kans dat het gebeurde, dus dat dode dingen spontaan zonder begeleidende intelligentie tot leven kwamen, is nihil of nul.  Daarvoor zit het leven te complex in elkaar. Alleen al dat aminozuren spontaan een proteïne vormden is onmogelijk. Laten we een eenvoudig proteïne nemen dat uit tweehonderd aminozuren is opgebouwd, een zeer simpel proteïne dus.  Aminozuren kunnen linksdraaiend of rechtsdraaiend zijn in hun moleculaire rangschikking. Houd in gedachten dat de tweehonderd aminozuren  om een proteïne te vormen allemaal linksdraaiend moeten zijn. Als er toevallig een paar rechtsdraaiende aminozuren tussen zitten dan moet  je weer wachten tot een volgende kans zich voordoet.  Men heeft uitgerekend dat de waarschijnlijkheid dat de linksdraaiende aminozuren toch bij elkaar komen en samen een simpel proteïne vormen gelijk is aan 1 op  10 tot de 140e macht. Dat is dus een 1 met 140 nullen erachter. Ter vergelijking: er zijn mensen die beweren dat er in het hele universum 10 tot de 80e macht elektronen zijn.  De kans dat er slechts één proteïne  spontaan gevormd wordt is dus al absurd klein.  Maar in iedere cel bevinden zich vele verschillende soorten eiwitten, elk met een eigen structuur en functie en zelfs de eenvoudigste vorm van leven, een bacterie,  blijkt  al zo complex dat het toeval totaal geen kans heeft.

Afb. 1  Bij 'de boom van het leven' ontbreken de overgangsvormen. Zij worden ook niet in het fossielenverslag aangetroffen.

Afb. 1 Bij ‘de boom van het leven’ ontbreken de overgangsvormen. Zij worden ook niet in het fossielenverslag aangetroffen.

De derde veronderstelling is de “boom van het leven” die ze bedacht hebben. (Zie Afb. 1)  Ze zeggen: “Kijk hier onderaan heb je één kleine cel  en daar is al het andere uit vandaan gekomen. Hier, aan de takken van de boom heb je de planten, de bomen en hier heb je al de dieren, de vissen, de zoogdieren, de vogels, de apen en de mens. Ze zijn allemaal voortgekomen uit dezelfde oercel.”  Maar ook dat is slechts een aanname, een veronderstelling, een gissing.  En wanneer je zo’n aanname doet dan neem je ook aan dat alle virussen, bacteriën, planten en dieren verwant zijn aan elkaar. Dan zou je bijvoorbeeld naar een plant kunnen kijken en daar tegen zeggen: “Oom Harry, wat doe je hier eigenlijk?”  Want we zijn immers allemaal uit dezelfde cel afkomstig?  Maar wat men beweert  is slechts een aanname , een veronderstelling. Toch worden in de leerboeken al die verschillende dieren in ‘de boom van het leven’ door middel van lijnen met elkaar verbonden. Je ziet geen overgangsschakels tussen twee dieren op de verbindende lijnen, maar de indruk wordt  wel  gewekt dat die er zijn. Maar dat is slechts een denkbeeldig plaatje in je hoofd en het is bedrieglijk. Er zit in werkelijkheid niets op die verbindingslijnen, want er is daar niets. In het fossielenverslag zijn de overgangsvormen  nimmer gevonden.

De vierde aanname is dat de ongewervelde dieren veranderden in gewervelde dieren en dat reptielen in vogels veranderde  Zij zeggen dat reptielen, vogels,  zoogdieren en amfibieën alle verwanten van elkaar zijn. De vissen kwamen uit het water, werden amfibieën en gingen weer in het water en werden reptielen. Die werden vogels en zoogdieren. Maar dit zijn slechts veronderstellingen.  Een voorbeeld: evolutie beweert dat reptielen in vogels veranderden. Dus eerst kwamen de reptielen en dan pas de vogels. Stel je voor:  we hebben een koudbloedig reptiel,  met massieve beenderen en die zou dan zomaar veranderd zijn in een vogel die warmbloedig is en holle beenderen heeft? De schubben van het reptiel zouden in veren zijn veranderd? Is er dan enig dier dat de overgang vormt tussen het reptiel en de vogel ? Nee, daar zit niets tussen. Hoe zit het dan met de Archeopterix zullen sommigen misschien vragen?  Evolutionisten geven nu zelf ook toe dat de Archaeopterix  een echte vogel was. En er zijn nu ook vogels ontdekt die al vóór de Archeopterix leefden.

Wat blijkt evolutie dus te zijn? Het is een ondeugdelijk vals systeem, want het is gebaseerd op veronderstellingen  die men niet kan bewijzen en die niet door gevonden fossielen  ondersteund worden.  Macro-evolutie berust op fantasie. Er zijn grote leemtes tussen de verschillende typen schepselen. De diverse overgangsvormen,  die je zou verwachten als macro-evolutie waar zou zijn, ontbreken.  Er zijn ontelbaar veel zogenaamde ‘ontbrekende schakels’. Ze hebben ze,  ruim honderd vijftig jaar na Darwin, nog steeds niet in het fossielenverslag  kunnen vinden, maar toch blijven ze zeggen: “ Geef ons meer tijd,  dan zullen ze gevonden worden.” En intussen wordt onze jonge mensen in verouderde tekstboeken nog steeds geleerd dat macro-evolutie een feit is.  De  vooraanstaande evolutiewetenschapper Richard Dawkins beweerde zelfs : “Evolutie is net zozeer een feit als de hitte van de zon” . Natuurlijk bewijzen experimenten en rechtstreekse waarnemingen dat de zon heet is.  Maar op de experimenten en rechtstreekse waarnemingen die een net zo onomstreden bewijs vormen voor de evolutieleer zullen we moeten blijven wachten tot we een ons wegen.

Advertenties

Over gervanpoelgeest

gepensioneerd constructeur, natuurliefhebber
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .