Waarom apen niet kunnen leren praten.

Deze week heb ik me wat verdiept in taal. Ik las onder andere het boek “Taal en de menselijke natuur” van taalkundige Professor Ray Jackendoff. – (ISBN 90-274-4522-2) (Zie Foto 1)

Foto 1.  Professor Ray Jackendoff met het bedoelde boek.

Foto 1. Professor Ray Jackendoff met het bedoelde boek.

Het is een vertaling van zijn boek Patterns in the Mind: Language and Human Nature . Het boek is ” gebaseerd op baanbrekend taalkundig onderzoek van de afgelopen dertig jaar”, dus ik ga er van uit dat deze schrijver wel weet waarover hij het heeft. In mijn nu volgend verhaal baseer ik mij op dit boek en ik vond er enkele voor u interessante zaken in die passen bij het hoofdonderwerp van deze blog: Ontwerp in de natuur. Meer in het bijzonder: de hersenen.
Op de achterzijde van dit door Het Spectrum uitgegeven boek lees ik: “Jackendoff houdt zich bezig met vragen zoals: Hoe komt het dat ons denken in elkaar zit zoals het in elkaar zit? Waarom ‘raakt’ bepaalde muziek ons wel en andere niet?… Met antwoorden op dit soort vragen laat Jackendoff zien dat de menselijke natuur in bepaalde opzichten verschilt van de computer en van dieren, maar daar in andere opzichten mee overeenkomt.”
Uit het inleidende hoofdstuk citeer ik:
“Om te beginnen is het bezit van taal altijd beschouwd als een van de belangrijkste verschillen tussen mens en dier. Het is dus belangrijk om uit te zoeken wat wij hebben dat dieren niet hebben. ” – blz.16
Waarom spreken mensen wel allemaal een taal en waarom kunnen apen dat niet?
“Een mogelijk antwoord is bijvoorbeeld dat we taal hebben omdat we grotere hersenen bezitten dan dieren. Met dit soort antwoorden moeten we echter voorzichtig zijn. Er bestaan tenslotte dieren met grotere hersenen dan wijzelf, zoals olifanten en walvissen. Er zijn bovendien dieren waarvan de hersenen in vergelijking tot hun lichaamsomvang groter zijn dan bij ons, zoals de tuimelaar( een soort dolfijn). Deze diersoorten maken geen van alle gebruik van taal, of als ze dat wel doen, lijkt die taal volstrekt niet op menselijke taal. Het ligt voor de hand om te denken dat we intelligenter zijn omdat we grote hersenen hebben…. Er is een bezwaar tegen een verklaring die louter gebaseerd is op de omvang van de hersenen: … je kunt een mechanisme geen nieuwe functie geven door er meer van hetzelfde aan toe te voegen. ” – blz. 17,18
Jackendoff geeft om dit duidelijk te maken dan het voorbeeld dat je een auto niet kunt laten vliegen door er meer cilinders,wielen, een extra versnellingsbak of wielen aan toe te voegen. De auto zal er misschien iets beter door gaan rijden, maar het stomme ding zal nooit van de grond komen. Nee, “om een auto te laten vliegen heb je een bepaalde structurele vernieuwing nodig, zoals vleugels of wentelwieken. Hetzelfde geldt voor onze hersenen en taal: al zou je apehersenen de omvang geven van menselijke hersenen, apen zouden er nog niet van gaan praten. Daarom moet er behalve in de omvang verschil zijn in de manier waarop onze hersenen en die van apen in elkaar zitten”.- blz. 18
Jackendoff geeft op blz. 22 en 23 enkele voorbeelden van taal die tonen dat “belangrijke onderdelen van een boodschap die door een taal wordt overgebracht, abstract of niet zintuiglijk van aard zijn.” Bij dieren ontbreekt dit vermogen.

Fig

Hoe werkt de communicatie tussen twee mensen?
Dit wordt in figuur 1 duidelijk gemaakt : Als Harry de boom ziet wordt het woord ‘boom’ uit zijn geheugen opgeroepen: (het wolkje met het woord ‘boom’) Als Harry iets over de boom wil zeggen zorgt Harry’s zenuwstelsel ervoor dat zijn longen lucht naar buiten stuwen, dat zijn stembanden zich samentrekken, en dat zijn tong, kaken en lippen zich gaan bewegen. Als gevolg daarvan produceert hij enkele geluidsgolven die zich door de lucht voortplanten, en die Sam’s oren raken. Deze geluidsgolven prikkelen Sam’s zenuwstelsel. Daardoor hoort hij Harry het woord ‘boom’ zeggen. Als Sam dezelfde taal spreekt is de kans groot dat ook zijn zenuwstelsel het beeld van een boom zal vormen. Op die manier is Sam in staat zich ‘voor de geest te halen’ wat Harry ziet, al geldt dat waarschijnlijk niet voor alle details.

Mensen zoals Harry zouden als ze een boom zien de volgende zinnen kunnen uitspreken:
a Er zit een vogel in de boom.
b Gisteren zat er een vogel in de boom.
c Zitten er vogels in die boom?
d Er zou een vogel in die boom kunnen zitten.
e Vogels zijn gek op die boom.
f Die boom ziet er uit als een vogel.
Jackendoff zegt daarover onder meer: “Hier zien we een belangrijk verschil tussen de menselijke taal en mogelijke vormen van dierlijke communicatie. Natuurlijk geven ook veel dieren informatie aan elkaar door. Maar geen enkele bekende soort (vogels, bijen, walvissen, niet-menselijke primaten, of wat dan ook) beschikt over zo’n voorraad elementen, zoals woorden, die op een oneindig aantal nieuwe manieren met elkaar te combineren zijn, teneinde nieuwe boodschappen over te brengen.
In de communicatie tussen dieren komen geen elementen voor die een tijdsaanduiding uitdrukken (‘gisteren’), een vraag om informatie (‘zijn er …?’) of een mogelijkheid (‘zou …?’) Dieren kunnen weliswaar aangeven wat hun gevoelens en wensen zijn, maar ze zijn niet in staat om gevoelens en wensen van andere dieren over te brengen, zoals in de zin ‘Vogels zijn gek op die boom’.”
Over ‘taal leren door kinderen’ vertelt Jackendoff dat die ” op het moment dat hun woordenschat explosief toeneemt ongeveer tien woorden per dag oppikken, zodat zij op hun vijfde een woordenschat hebben van ongeveer tienduizend woorden”. Hoe is dat bij mensapen? Jackendoff : “Bij mensapen ligt dat heel anders: hoewel ze voortdurend (bij proeven) nieuwe woorden aangeboden krijgen, komen ze toch nooit verder dan ten hoogste vijf- of zeshonderd woorden.”

Tot zover de aanhalingen uit dit lezenswaardige boek. Terwijl ik het las moest ik onwillekeurig ook denken aan de beweringen van evolutionisten die toch maar blijven beweren dat apen en mensen een gezamenlijke voorouder hebben. Maar deze Jackendoff, die zich baseert op tientallen jaren taalonderzoek , wijst ons dus op een wezenlijk verschil in het ontwerp van de hersenen van apen en mensen.
Ja, het is een feit dat de mens uniek is. Ook Professor David Premack schrijft dat „de grammatica en zinsbouw van de menselijke taal beslist uniek is”. De complexiteit van menselijke taal samen met de rijkdom van de menselijke cultuur, waarin taal en spraak een cruciale rol spelen, onderscheiden ons absoluut van de dieren.

Na jarenlang chimpansees in het wild te hebben bestudeerd, schreef Jane Goodall dat ze ’niet geloofde dat chimpansees in staat zijn gevoelens voor elkaar te ontwikkelen die enigszins te vergelijken zijn met de tederheid, bescherming, verdraagzaamheid en geestelijke vreugde die de kenmerken zijn van menselijke liefde in de ware zin en diepere betekenis van het woord’. Ook schreef ze: „Het menselijk bewustzijn van het Zelf stijgt boven het primitieve bewustzijn van het vleselijk lichaam uit. De mens vraagt een verklaring van het mysterie van zijn wezen en het wonder van de wereld rondom hem en de kosmos boven hem.”

De Bijbel legt het verschil tussen mensen en dieren uit door te zeggen dat de mens „naar Gods beeld” werd gemaakt. – (Genesis 1:27). Dus zou de mens, in tegenstelling tot dieren, in geestelijk opzicht het beeld van zijn Maker zijn en Zijn eigenschappen bezitten, waarvan liefde de voornaamste is. De mens zou ook enorme hoeveelheden kennis in zich op kunnen nemen en in zijn daden blijk kunnen geven van een intelligentie die veel groter is dan die van een dier. De mens werd bovendien gemaakt met het vermogen volgens zijn eigen vrije wil te handelen en zich niet voornamelijk door instinct te laten leiden.

Over gervanpoelgeest

gepensioneerd constructeur, natuurliefhebber
Dit bericht werd geplaatst in Natuur en getagged met , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.