Waarom zijn sommige dieren groot en andere klein?

Het was J.B.S. Haldane, een slimme Engels-Indiaas geneticus en evolutiebioloog ook al opgevallen dat dieren duidelijk verschillen in omvang. Hij schreef in 1927:

“De duidelijkste verschillen tussen verschillende dieren zijn de verschillen in omvang, maar om een of andere reden hebben biologen hier maar bijzonder weinig aandacht aan besteed. Het is echter eenvoudig aan te tonen dat een haas niet zo groot zou kunnen zijn als een nijlpaard, of een walvis zo klein als een haring. Elke diersoort heeft een ideale grootte, en een grote verandering van omvang leidt onvermijdelijk tot een verandering van vorm.”

Foto 2. Een school haringen.

Foto 2. Een school haringen.

Ja, waarom zijn er eigenlijk geen walvissen van haringformaat?
Volgens evolutionisten zijn alle dieren toch van één gezamenlijke voorouder afkomstig? Het lijkt mij moeilijk verklaarbaar waarom het ene dier zich tot een kleine soort evolueert en het andere zo omvangrijk wordt. Ik heb het even voor u nagezocht: Een haring weegt gemiddeld 77 gram en een walvis kan 33 meter lang worden met een gewicht van 170 ton. Een berekening laat zien dat er dan ruim 2,2 miljoen haringen nodig zijn om de weegschaal in balans te houden. En toch zouden zowel de haring als de walvis door toevallige evolutie uit één gezamenlijke voorouder zijn ontstaan? Dat lijkt me moeilijk te beredeneren. De vraag werd reeds in 1927 gesteld, dus kwam bij mij de vraag op: hoe verklaren moderne evolutionisten dat eigenlijk? Ik raadpleegde een boek waaraan maar liefst 62 hoogleraren hun medewerking verleenden. In dit boek De zeventig grootste mysteries van de natuur , dat werd samengesteld door de helaas in 2008 overleden voormalig hoogleraar Michael J. Benton wordt op blz. 184 dit probleem ook door medeschrijver en hoogleraar sociale evolutie Sean Nee genoemd. Je verwacht als lezer dat het dan haarfijn wordt uitgelegd, maar het antwoord is vaag en onbevredigend. Het probleem van de walvis en de haring wordt in de inleiding van hoofdstuk 43 weliswaar aangeroerd, maar het hoe en waarom blijft voor mij en de andere lezers nog steeds een “mysterie”. Het enige wat enigszins op een antwoord lijkt is het volgende:

“De meeste dieren zijn onzichtbaar: vier van de vijf dieren zijn microscopische draadwormen. We moeten ons dan ook eerst de vraag stellen: waarom zijn er eigenlijk grote organismen? Ongeveer 1 miljard jaar geleden steeg het zuurstofgehalte van de oceanen tot een hoog niveau. Dit opende de deur voor de evolutie van meercellige organismen die, althans gedeeltelijk, afhankelijk zijn van de diffusie van zuurstof in weefsels, die op haar beurt een hoge zuurstofdruk vereist. Het toneel was nu gereed voor de ecologische roofdier-prooirelatie als motor achter een evolutionaire wapenwedloop: als roofdier is het gemakkelijk wanneer je groter bent dan je prooi, en als prooidier is het gemakkelijk wanneer je groter bent dan het roofdier. Vermoedelijk heeft deze wapenwedloop de aanvankelijke ontwikkeling van grote lichamen gestimuleerd. Dit kan echter niet onbeperkt doorgaan en andere factoren gaan een rol spelen.”

Foto 1. Uit het water opspringende Bultrug-walvissen.

Foto 1. Uit het water opspringende Bultrug-walvissen.

Merk op dat de walvissen en de haringen hier niet in worden genoemd en de schrijver gaat vervolgens over op het voorbeeld van de olifant en zijn logge poten. Die heeft inderdaad ook een groot lichaam maar het is, voor zover mij bekend geen roofdier. In een website over olifanten lees ik: ” De olifanten eten vooral veel gras, maar ook wortels en boomschors. Olifanten zijn de enige dieren die hout eten. Een olifant drinkt zo’n 70 tot 160 liter per dag.” De voorgaande redenatie over het jagen op prooi geldt dus niet voor de olifant. Het beest is ook veel te log om andere dieren achterna te rennen en ze als prooi te vangen. Het wordt mij dan ook niet duidelijk wat de roofdier-prooirelatie met de omvang van de olifant te maken heeft. De schrijver merkt dan op: “Maar we hebben nog geen antwoord gegeven op de vraag waarom olifanten evolutionair gezien überhaupt groot ‘willen’ zijn.”
Dan denk ik bij mijzelf: Die opmerking slaat nergens op. Sean Nee gaat er blijkbaar van uit dat de olifant er bewust over heeft nagedacht dat het toch wel handig zou zijn als hij wat groter zou zijn en dus zelf zou kunnen beïnvloeden dat hij groter zou worden. Dat zou voor kleine mensen ook wel handig zijn, maar ik betwijfel toch of louter de wil om groter te groeien hen ook echt groter zal doen groeien.
Foto 3.  De hermelijn vangt hier het grotere konijn.

Foto 3. De hermelijn vangt hier het grotere konijn.

Het verhaal dat roofdieren groter zijn dan hun prooi gaat overigens ook niet altijd op. Lang niet alle op prooi jagende dieren zijn groter dan hun prooi. In ons landje leven niet zo veel roofdieren, maar van de kleine roofdieren als de hermelijn en de wezel is bekend dat die ook op grotere konijnen jagen. (Zie Foto 3) Samenvattend: De vraag: Waarom werden walvis en olifant zo groot? wordt hierdoor nog niet opgelost.

Was het hogere zuurstofgehalte in de oceanen dan verantwoordelijk?
Is de redenatie over het hoge zuurstofgehalte in de oceanen dan misschien wel geloofwaardig? Nee, de bewering dat dit de vermoedelijke oorzaak van het ontstaan van grote walvissen zou zijn, is niet logisch, want in dezelfde oceaan zwemmen ook de veel kleinere haringen en toch blijven die wèl klein.
Ook de bewering dat er vroeger een hogere zuurstofdruk zou zijn geweest lijkt mij niet erg aannemelijk. De druk in de atmosfeer rondom de aarde is zoals bekend 1 atm. en die kan niet zomaar een paar bar stijgen waardoor de zuurstofdiffusie in weefsels zou toenemen. De aarde is onder alle planeten uniek wegens zijn zuurstofatmosfeer. Op de maan en in de ruimte is geen zuurstof. Het hele verhaal over het hogere zuurstofgehalte in vroeger tijden lijkt mij niet logisch. Het is ook in tegenspraak met wat onderzoeker Sean Crowe van de universiteit van Brits-Columbia vertelt: “We weten dat fotosynthese zorgde voor de productie van zuurstof, waardoor de atmosfeer zuurstofrijker werd en er organismen ontstonden die tegen zuurstof konden” Ook zegt hij: “Nu leren we dat dit proces al heel vroeg begon, zo’n drie miljard jaar geleden.” Toch duurde het nog 1,5 miljard jaar totdat er ongeveer net zoveel zuurstof was geproduceerd als tegenwoordig. Hoofdonderzoeker Lasse Døssing van de universiteit van Kopenhagen zegt: “Onze bevindingen impliceren dat het erg lang duurde voor geologische en biologische processen nader tot elkaar kwamen om zuurstof te produceren” Oftewel: Het zuurstofgehalte is, sinds er algen in de oceanen en planten op het land verschenen, langzaam toegenomen en we mogen dankbaar zijn voor de zuurstof die we dagelijks inhaleren.

Foto 1.  De veel kleinere haringen zwemmen graag in een school.

Foto 1. De veel kleinere haringen zwemmen graag in een school.

Maar zelfs als het waar is dat het zuurstofgehalte ooit bijvoorbeeld 30 % was in plaats van de huidige 21% en dat dit enige toename in groei zou hebben veroorzaakt, dan kan dat toch niet de verklaring zijn waarom een walvis ruim twee miljoen keer groter is dan een haring? Waarom doen evolutionisten dan dergelijke onlogische en onware beweringen? Waarom wordt daar toch aan vastgehouden? Of moeten er misschien eerst experimenten worden gedaan waarbij haringen een tijd lang met extra zuurstofcilindertjes worden uitgerust voordat deze bewering als fantasie wordt verworpen?

Wat er werkelijk is gebeurd en het antwoord op de vraag.
Zoals u ziet heeft de evolutie geen antwoord op de gestelde vraag. Maar gelukkig is er een betrouwbare bron waaruit we het antwoord wel aan de weet kunnen komen: de bijbel. Dat uit meerdere kleine boeken bestaande oude boek vertelt ons in het eerste boek Genesis dat de Schepper wiens naam Jehovah is, de hemel en de aarde” in het begin” schiep. Wanneer dat “begin” geweest is wordt niet vermeld, maar het kan heel goed miljarden jaren geleden zijn geweest. Mensen, die onbekend zijn met de bijbel, zeggen vaak spottend dat de schepping onmogelijk in zes dagen van 24 uur kan hebben plaatsgevonden, maar dat wordt ook niet beweerd. Met het woord ‘dag’ wordt niet altijd een letterlijke dag van 24 uur bedoeld. Ook in de nederlandse taal wordt het woord ‘dag’ wel gebruikt om een langere tijdsduur aan te duiden. In de zin: “Hij heeft op zijn oude dag nog veel tot stand gebracht” betekent het woord ‘dag’ een periode die misschien wel tientallen jaren kan hebben geduurd. Ook de zes scheppingsdagen waren geen dagen van 24 uur. Het zijn scheppingsperioden geweest van onbekende duur. Ze kunnen elk wel duizenden jaren hebben geduurd en begonnen pas toen de aarde voldoende was afgekoeld en de Schepper de tijd rijp achtte om de aarde gereed te maken voor bewoning door mens en dier. In het Genesisverslag staat dat de zeedieren en de vliegende schepselen de eerste levende wezens op aarde waren. Wij lezen: „Verder zei God: ’Dat de wateren een gewemel van levende zielen voortbrengen en dat vliegende schepselen over de aarde vliegen langs het vlak van het uitspansel van de hemel.’ En God ging ertoe over de grote zeemonsters te scheppen en elke levende ziel die zich beweegt, waarvan de wateren gingen wemelen naar hun soort, en elk gevleugeld vliegend schepsel naar zijn soort. Toen zag God dat het goed was. Daarop zegende God ze en zei: ’Weest vruchtbaar en wordt tot vele en vult de wateren in de zeebekkens, en laat de vliegende schepselen tot vele worden op de aarde.’ En het werd avond en het werd morgen: een vijfde dag.” — Ge 1:20-23.
Toen God zei: „Dat de wateren . . . voortbrengen”, liet God het niet aan de zeeën over om zelf een of andere oervorm van leven voort te brengen, waaruit alle andere dieren evolueerden. Want het verslag zegt ook: „God ging ertoe over [zeedieren] te scheppen . . . naar hun soort.” Verder staat in het verslag over de „zesde dag” en de schepping van landdieren dat God zei: „Laat de aarde levende zielen voortbrengen naar hun soort.” God gebood de zee niet levende wezens voor het land voort te brengen, noch liet hij deze dieren door een evolutieproces uit de zee ontstaan, maar „God ging ertoe over” elke soort zo „te maken” dat ze aangepast was aan het haar toegewezen natuurlijke woongebied. — Ge 1:24, 25.
De uitleg die de bijbel geeft komt er dus op neer dat ook alle dieren in de zee ‘naar hun soort’ werden gemaakt. De op het land levende dieren zijn ook niet ontstaan uit de vissen die uit het water zouden zijn gekropen om voortaan op het land te leven. Ze zouden daar binnen de kortste keren op apegapen hebben gelegen. Ook de landdieren werden elk “naar hun soort ” geschapen. Dat is pas een helder antwoord, toch? Geen gedoe over een gezamenlijke voorouder wat allerlei niet te beantwoorden vragen opwerpt. Het ware antwoord is heel eenvoudig: God schiep zowel de haring als de walvis elk afzonderlijk naar zijn soort. Denkt u daar maar eens over na als u weer van uw nieuwe haring geniet of een walvis ziet die boven het water uitspringt. (Zie Foto 1 en 2)

Wat toont genetisch onderzoek?
Ja maar, zullen sommigen onder u nu misschien toch nog zeggen, onderzoek op genetisch gebied toont toch aan dat de genen van verschillende diersoorten overeenkomsten hebben? Wijst dat niet op een gezamenlijke voorouder? Nee, het bewijst veeleer dat ze dezelfde Ontwerper hebben. Hij ontwierp het systeem van DNA en gaf elk dier zijn eigen unieke code voor het leven. DNA bevat niet alleen alle instructies voor de bouw van een uniek lichaam, maar ook de instructies om dat lichaam een leven lang te onderhouden. In dit informatietijdperk zijn er nog steeds geen informatieopslagsystemen die kunnen tippen aan de capaciteit van DNA. Als knappe computertechnici dit niet kunnen, hoe zou materie zonder intelligentie het dan uit zichzelf kunnen doen? Geloof je echt dat zo’n ordelijk systeem kan ontstaan door ongeleid toeval? Evolutie veronderstelt dat u gelooft dat dit echt is gebeurd, maar als u logisch nadenkt weet u wel beter. Immers: Zonder intelligentie ontstaat er geen intelligent ontwerp.

Nawoord.
Wetenschappers in het verleden hadden grote waardering voor de bijbel en de Schepper. Ik noem als voorbeeld Sir Isaac Newton, die als een van de grootste wetenschappelijke genieën aller tijden wordt beschouwd. Moderne wetenschappers weigeren echter consequent om te overwegen of het bestaan van een Schepper wellicht ook een reële optie kan zijn voor het bestaan van de soorten. Een voorbeeld hiervan is de uitspraak die Peter Mayhew, lector aan het Department of Biology aan de University of York op blz. 35 van het eerder genoemde boek doet. Hij kan blijkbaar niet “buiten de box” denken, want hij zegt in het hoofdstuk “De vorming van nieuwe soorten” het volgende:

“Omdat elke soort fundamenteel dezelfde genetische code heeft, moeten ze allemaal zijn geëvolueerd uit een enkele voorouder. Er moet dus een proces zijn waardoor miljoenen soorten zich uit één soort konden ontwikkelen.”

Dat er misschien ook nog een heel andere mogelijke oorzaak is voor de overeenkomst in de genetische code komt bij hem niet op. Toch jammer.

Advertenties

Over gervanpoelgeest

gepensioneerd constructeur, natuurliefhebber
Dit bericht werd geplaatst in Evolutie, Intelligent Design, Natuur, Zeedieren en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.