Ontwikkelingen in de geschiedenis van de evolutietheorie.

In mijn bijdrage van deze week ga ik een stukje uit de geschiedenis van de ontwikkelingen binnen de evolutietheorie aanhalen. Dat doe ik omdat het u als lezer inzicht geeft in de achtergronden van de theorie en helpt om u een oordeel te vormen over de vraag: evolutie of schepping? Mij is gebleken dat velen die in de evolutie geloven denken dat alle beweringen van evolutionistische wetenschappers waar zijn en op bewezen feiten berusten. Het hier volgende artikel zal, wellicht tot verbazing van die mensen, aantonen dat er zelfs onder vooraanstaande evolutionisten nog veel tegenstrijdige opvattingen zijn en dat lang niet alles wat als ‘feit’ wordt gepresenteerd dat ook werkelijk is. En dat sommige wetenschappers er toch zelfs niet voor terugdeinzen om het met de grootste stelligheid te doen voorkomen alsof de evolutietheorie al helemaal met feiten bewezen is. Het artikel verscheen eerder in het tijdschrift Ontwaakt van 22 juli 1987. Het is dus gedateerd, maar niettemin nog steeds heel leerzaam. Dit korte stukje geschiedenis kan voor sommigen zelfs een eye-opener zijn. Ik heb het artikel onverkort overgenomen en er zelf wat illustraties bij gezocht. Veel leesplezier!

Wanneer een feit geen feit is

Een feit is iets dat vaststaat. Het is een werkelijkheid, een objectieve realiteit. Het wordt gestaafd door deugdelijke bewijzen.
Een theorie is iets dat onbewezen is maar soms ter wille van een redenering voor waar wordt aangenomen. Er moet nog worden bewezen dat ze met de feiten overeenstemt. Niettemin wordt soms iets als feit bestempeld terwijl het slechts een theorie is.
De theorie van organische evolutie valt in deze categorie.

Irving Kristol  (1920-2009)

Irving Kristol (1920-2009)

Op 30 september 1986 publiceerde The New York Times een artikel van de hand van een hoogleraar aan de Universiteit van New York, Irving Kristol.(1920-2009) Deze schreef dat als evolutie op de openbare scholen onderwezen zou worden als een theorie, wat ze inderdaad is, in plaats van als een feit, wat ze niet is, er nu geen ideologische strijd zou woeden tussen evolutie en creationisme. Kristol verklaarde: „Het lijdt ook haast geen twijfel dat het dit pseudo-wetenschappelijk dogmatisme is dat de huidige reactie van religieuze zijde heeft uitgelokt.”
„Hoewel deze theorie gewoonlijk wordt onderwezen als een vaststaande wetenschappelijke waarheid,” zei Kristol, „is ze dat in de verste verte niet. Ze bevat te veel lacunes [leemten]. Het geologische bewijsmateriaal verschaft ons niet de reeks van tussenvormen die wij zouden verwachten. Bovendien blijkt uit laboratoriumexperimenten hoe vrijwel onmogelijk het is dat de ene soort evolueert tot een andere soort, zelfs met teeltkeus en wat genetische mutatie. . . . De geleidelijke transformatie van de populatie van de ene soort in een andere is een biologische hypothese, geen biologisch feit.”
Het artikel was tegen het zere been van professor Stephen Jay Gould (1941-2002) van de Harvard-universiteit, een fervent voorstander van aanvaarding van evolutie als een feit en niet slechts als een theorie. Zijn weerlegging van Kristols artikel werd gepubliceerd in het populair-wetenschappelijke tijdschrift Discover van januari 1987. Uit dat weerwoord bleek nu juist het dogmatisme dat Kristol zo betreurde.
In zijn weerwoord herhaalde Gould ettelijke malen zijn verzekering dat evolutie een feit is. Een paar voorbeelden: Darwin bewees „de feitelijkheid van evolutie”. „Dat evolutie een feit is, wordt even goed gestaafd als wat maar ook in de wetenschap (net zo vaststaand als de baan van de aarde rond de zon).” Tegen de tijd dat Darwin stierf, „aanvaardden bijna alle denkende mensen het feit van de evolutie”. „Evolutie is even goed gestaafd als welk ander wetenschappelijk feit maar ook (ik zal zo dadelijk de redenen geven).” „De feitelijkheid van evolutie berust op overvloedige gegevens die ruwweg in drie grote groepen zijn onder te verdelen.”
Voor de eerste van deze „drie grote groepen” van „overvloedige gegevens” noemt Gould de kleinschalige veranderingen binnen de vlindersoorten, fruitvliegjes en bacteriën als „rechtstreekse bewijzen” voor evolutie. Maar zulke variaties binnen de soorten zijn voor evolutie niet relevant. Evolutie zit met het probleem hoe de ene soort te veranderen in een andere soort. Gould prijst Theodosius Dobzhansky (1900-1975) als „de grootste evolutionist van onze eeuw”, maar Dobzhansky zelf noemt Goulds bovengenoemde bewijs irrelevant.
Theodosius Dobzhansky was zich er van bewust dat de overeenkomst tussen micro-en macro-evolutie slechts een "veronderstelling" was of een "werkhypothese"

Theodosius Dobzhansky was zich er van bewust dat de overeenkomst tussen micro-en macro-evolutie slechts een “veronderstelling” was of een “werkhypothese” (Klik voor vergroting)

Betreffende de door Gould als bewijs aangevoerde fruitvliegjes zegt Dobzhansky dat bij mutaties „doorgaans achteruitgang, afbraak optreedt, of het verdwijnen van sommige organen. . . . Veel mutaties zijn in feite dodelijk voor de bezitters ervan. Mutanten die de normale vliegjes in sterkte en kracht evenaren, vormen een minderheid, en mutanten die een belangrijke verbetering zouden betekenen in de normale organisatie onder normale omstandigheden, zijn onbekend.”
Science, het officiële tijdschrift van het Amerikaans Genootschap ter Bevordering van de Wetenschap, ontzenuwde Goulds argument eveneens: „Soorten hebben inderdaad de mogelijkheid kleine wijzigingen in fysieke en andere kenmerken te ondergaan, maar dit is beperkt, en over een langere tijdsperiode bekeken, uit het zich in een schommeling rond een gemiddelde.” Zowel bij planten als bij dieren zullen de variaties binnen een soort schommelingen vertonen of door elkaar heen bewegen als korreltjes die in een glazen pot worden geschud — de variaties blijven binnen de grenzen van de soort net zoals de korreltjes in de pot opgesloten blijven. Precies zoals het bijbelse scheppingsverslag zegt: er zijn variaties mogelijk in planten en dieren, maar ze kunnen zich niettemin slechts voortplanten „naar hun soort”. — Genesis 1:12, 21, 24, 25.
Als tweede van zijn drie groepen komt Gould met grote mutaties aan: „Wij hebben rechtstreekse bewijzen voor grootschalige veranderingen, gebaseerd op de opeenvolgingen in het fossielenverslag.” Door te zeggen dat het grootschalige veranderingen waren, waarbij de ene soort met enkele grote sprongen in een andere verandert, omzeilt hij de noodzaak van niet-bestaande tussenliggende fossielen. Maar door van kleine veranderingen over te gaan op grote sprongen, raakt hij van de wal in de sloot.
Kristol zegt hierover: „Van zulke ’quantumsprongen’ die nieuwe soorten scheppen, weten wij gewoon niets, aangezien de meeste genetische mutaties nadelig zijn voor de overleving van het individu.” En Goulds „grootste evolutionist van onze eeuw”, Theodosius Dobzhansky, is het met Kristol eens. Zijn verklaring dat veel mutaties dodelijk zijn, gaat vooral op met betrekking tot grootschalige quantumsprong-mutaties; eveneens veelbetekenend is zijn uitspraak dat ’mutaties die grote verbeteringen opleveren, onbekend zijn’. Bij gebrek aan bewijs voor zijn grootschalige veranderingen, valt Gould terug op de afgezaagde uitvlucht van evolutionisten: „Ons fossielenverslag is zo onvolledig.”
Gould voert echter wel als ’rechtstreeks bewijs voor grootschalige veranderingen’ aan wat hij een van de „imposante voorbeelden” noemt, namelijk, „de evolutie van de mens in Afrika”. Maar evolutionisten erkennen algemeen dat dit onderwerp verre van imposant is. Het is een broeinest van controversen, een slagveld over tanden en botfragmenten die door evolutionisten met een levendige verbeelding worden veranderd in harige, voorovergebogen aapmensen met zware, borstelige wenkbrauwen. Opnieuw wordt Gould niet door Dobzhansky gesteund: „Zelfs deze betrekkelijk recente historie [van aap naar mens] is doorspekt met onzekerheden; deskundigen zijn het vaak oneens over zowel fundamentele zaken als details.”
De laatste van Goulds „drie grote groepen” die naar zijn zeggen bewijzen dat evolutie een feit is, is de overeenkomst tussen de soorten. (De huidige trend is echter om weinig waarde te hechten aan fysieke overeenkomsten als bewijs van verwantschap; genetische overeenkomsten zijn nu in zwang om verwantschap te bewijzen, zelfs in gevallen waarbij fysieke kenmerken zeer verschillen.) Gould voert twee voorbeelden aan van een verwantschap die wordt bewezen door overeenkomst. Ten eerste: „Waarom zijn in ons lichaam, van onze rugwervels tot het spierstelsel van onze buik, overblijfselen zichtbaar van een rangschikking die beter geschikt is voor een viervoetig leven, als wij niet de afstammelingen zijn van viervoetige wezens?”
Een vreemde bewering. Wij kunnen rechtop lopen en rennen op twee benen en doen dat vele kilometers achtereen zonder dat de ruggegraat en buikspieren enige last ondervinden. Tenzij wij natuurlijk buiten de uren dat wij slapen, het grootste deel van de tijd passief in een stoel hangen en nooit onze rug- en buikspieren oefenen. Maar degenen die zich daarin hebben geoefend, kunnen te voet viervoetige wilde dieren najagen totdat zij hun uitgeputte prooi te pakken hebben, en zij bereiken in de meeste gevallen een hogere leeftijd dan deze dieren. Wij voelen ons prima op twee voeten; viervoeters schijnen zich prettig te voelen op vier voeten.
De "Darwinvinken" veranderden niet in een andere soort. Het bleven vinken.

De “Darwinvinken” veranderden niet in een andere soort. Het bleven vinken.

Goulds tweede voorbeeld: „Waarom vertonen de planten en dieren op de Galápagoseilanden zoveel overeenkomst maar toch enig verschil met de exemplaren in Ecuador, het dichtstbijzijnde land 600 mijl oostelijker? . . . De overeenkomsten kunnen alleen maar betekenen dat de Ecuadoriaanse exemplaren de Galápagoseilanden gingen bevolken en zich toen door een natuurlijk evolutieproces in een andere richting gingen ontwikkelen.” Het enige wat de overeenkomsten kunnen betekenen en ook bewijzen, is dat er binnen een soort variaties mogelijk zijn. De vinken bijvoorbeeld zijn nog altijd vinken.
Gould maakt degenen belachelijk die in de schepping geloven en die aanvoeren dat „God beperkte veranderingen toestaat binnen geschapen grondvormen, maar dat je nooit een kat in een hond kunt veranderen”. Dan vraagt hij: „Wie heeft ooit gezegd dat dat kon, of dat de natuur dat deed?” Niettemin gelooft hij in iets veel onwaarschijnlijkers. Van kat naar hond zou in ieder geval een verandering van zoogdier naar zoogdier zijn, terwijl Gould zegt dat „dinosauriërs tot vogels evolueerden”.
Irving Kristol besluit zijn artikel in The New York Times: „Het huidige evolutieonderricht op onze openbare scholen geeft inderdaad blijk van een ideologische vooringenomenheid tegen religieuze overtuigingen — doordat het als ’feit’ onderwijst wat slechts een hypothese is. . . . Wanneer gelovige christenen ervan overtuigd raken dat hun kinderen niet blootgesteld worden aan antireligieus onderricht, kan men redelijkerwijs hopen dat zij zich weer op hun gemak zullen voelen met deze Amerikaanse traditie [scheiding tussen kerk en staat].”
Kristol laat zien hoe wijs dit beginsel van scheiding tussen kerk en staat is door te zeggen: „Theologische geschillen kunnen zo gemakkelijk een brandhaard worden van strijd.” Dat is precies wat het door sommige creationisten gepropageerde „wetenschappelijk creationisme” zou worden als dat op de scholen zou worden onderwezen. Verschillende beweringen ervan zijn onschriftuurlijk. Om er slechts één te noemen: De scheppingsdagen in Genesis zouden dagen zijn van 24 uur. Het Hebreeuwse woord dat is vertaald met „dag”, kan — en zo gebeurt dat ook — in de bijbel gebruikt worden voor periodes van 12 uur, 24 uur, een seizoen, een jaar, duizend jaar of enkele duizenden jaren, afhankelijk van context en taalgebruik.
Het klaslokaal is niet de plaats waar religieuze geschillen moeten worden uitgevochten. Evenmin is het de plaats, aldus Kristol, om de hypothetische evolutie als een feit te onderwijzen wanneer het in feite zelf een moderne religie is geworden die slechts steunt op dogmatisme.
Gould zegt terecht dat „mythen in geloof veranderen door middel van bedrieglijke herhaling zonder een goede bewijsvoering”. Dat is waar. Dat is de manier waarop geloofsbelijdenissen zijn ontstaan die zeggen dat de bijbel leert dat de ziel onsterfelijk is, dat goddeloze mensen voor eeuwig in het hellevuur worden gepijnigd, dat God een drieëenheid vormt van drie personen in één, dat de scheppingsdagen in Genesis hoofdstuk 1 dagen van 24 uur zijn — en dat alles zonder een goede bewijsvoering uit de bijbel.
En dat is ook hoe de evolutionaire litanie dat ’evolutie een feit is’, tot een geloof wordt: door „herhaling zonder een goede bewijsvoering” met wetenschappelijke bewijzen.

Aspecten waarin mensen anders zijn dan dieren.
Tot zover het artikel. Het spreekt volgens mij voor zich. Ik wil daar toch graag nog een paar zinnen ter overdenking aan toevoegen: Er gaapt een enorme afstand tussen de mens en het dier dat evolutionisten als zijn naaste verwant beschouwen. Alleen de mens heeft de gaven van taal, logica, creatief denken, muziek# , beeldende kunst en een besef van verleden, heden en toekomst. Alleen de mens heeft behoefte aan een doel in het leven en een gevoel iets bereikt te hebben. Denk ook aan zijn mogelijkheden op het vlak van rechtvaardigheid, vriendelijkheid, mededogen, liefde — dit alles plaatst de mens ver boven ieder dier. Dit laat zich niet verklaren op basis van evolutie, maar het moet toegeschreven worden aan de schepping van de mens ’naar het beeld en de gelijkenis van God’ − (Gen. 1:26, 27).

# Noot: Als voorbeeld van de gave van muziek hieronder een opname van het door Simeon ten Holt gecomponeerde werk Canto Ostinato . Het wordt uitgevoerd door het internationaal vermaarde pianoduo Sandra & Jeroen van Veen. Geniet van de welluidende klanken, gespeeld op twee vleugels.
http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=1GrDXEJuXjk

Muziek is een gave van de Schepper. Hier: spelen op twee vleugels.

Muziek is een gave van de Schepper. Hier: spelen op twee vleugels.

Ik kan niet nalaten om u tenslotte ook nog van een door de jongere componist Kyteman gespeeld muziekstuk te laten genieten. Kyteman bespeelt hier zelf de bugel en wordt begeleid door het HipHop-Orchestra . Daarna zult u er, met mij, absoluut van overtuigd zijn dat mensapen nooit in staat zullen zijn om zo’n mooi muziekstuk te componeren en het op te schrijven zodat anderen het ook kunnen spelen of er naar kunnen luisteren. Bedenk dan ook dat dit alles een kado is van de Grote Ontwerper/Schepper.

De slakkenhuisvormige Coclea is als een piano in uw oor, waardoor u van muziek kunt genieten. De inwendige diameter van de cochleaire buis is gemiddeld 2mm.

De slakkenhuisvormige Coclea is als een piano in uw oor, waardoor u van muziek kunt genieten. De inwendige diameter van de cochleaire buis is gemiddeld 2mm.

Hij schonk ons niet alleen de gave van het muziek maken, maar ontwierp ook de slakkehuisvormige cochlea, “de piano in ons oor” (Zie foto), waardoor we er van kunnen genieten. Luister en kijk naar Kyteman’s Sorry.
http://www.youtube.com/watch?v=27DH6-APQQY

Kyteman spelend op bugel

Kyteman spelend op bugel

Advertenties

Over gervanpoelgeest

gepensioneerd constructeur, natuurliefhebber
Dit bericht werd geplaatst in Evolutie, Intelligent Design en getagged met , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Ontwikkelingen in de geschiedenis van de evolutietheorie.

  1. Kees. zegt:

    Hallo Ger, Ja dit is toch weer een prachtige uiteenzetting. Je zou bijna zeggen ontnuchterend voor degene die maar blind de evolutieleer achternalopen, bedankt – kees

Reacties zijn gesloten.