Wat toont het fossielenverslag in feite aan? Evolutie of schepping?

Tijdens het Cambrium vond een ware explosie aan leven plaats. Alle diergroepen die we heden ten dage nog kennen zijn al tijdens het Cambrium ontstaan.
De gevonden fossielen laten zien dat alle hoofdgroepen van dieren plotseling verschenen en vrijwel niet veranderden.

Het is mij opgevallen dat evolutionisten dikwijls menen dat het fossielenverslag overvloedig veel bewijzen voor de evolutietheorie verschaft. Maar is dat werkelijk zo of is dit ook weer een mythe die bewust in stand gehouden wordt? Laten we eens zien wat enkele deskundigen over dit onderwerp te zeggen hebben.
Het Bulletin van Chicago’s Field Museum of Natural History zette uiteen: „Darwins [evolutie]theorie is altijd nauw in verband gebracht met bewijsmateriaal van fossielen, en waarschijnlijk nemen de meeste mensen aan dat fossielen een zeer belangrijk deel vormen van de algemene bewijsvoering ten gunste van darwinistische interpretaties van de geschiedenis van het leven. Jammer genoeg is dit niet helemaal waar. . . . het geologische verslag verschafte destijds geen fijn gegradueerde keten van langzame en progressieve evolutie, en doet dat nog steeds niet.” — Januari 1979, Deel 50, nr. 1, blz. 22, 23.
Niles Eldredge, een fervent evolutionist, zegt dat uit de fossielen niet blijkt dat er een geleidelijke opeenstapeling van veranderingen plaatsvindt, maar dat gedurende lange periodes „de meeste soorten weinig of geen evolutionaire veranderingen vertonen”.— The Triumph of Evolution and the Failure of Creationism, Niles Eldredge, 2000, blz. 49, 85.
Wie denkt dat het fossielenverslag de evolutietheorie bevestigt heeft het dus mis.

Ook Darwin zelf was zich bewust van het probleem.
Darwin had zelf ook al bemerkt dat er in het fossielenverslag geen overvloedige ondersteuning voor zijn theorie aanwezig was. Hij verzuchtte:
“…Waarom is het zo, dat, als soorten van andere soorten afstammen door fijne gradaties, we nergens de ontelbare tussenvormen zien? Waarom is niet de hele natuur in verwarring, in plaats daarvan zijn de soorten, zoals we ze zien, goed ontworpen?… Maar als volgens deze theorie ontelbare tussenvormen moeten hebben bestaan, waarom vinden we ze dan niet in groten getale ingebed in de korst van de aarde?… Maar in een tussenliggend gebied dat aan de voorwaarden voldoet die voor het leven nodig zijn, waarom vinden we daar dan geen nauw-verwante variëteiten? Dit probleem heeft me sinds lange tijd verbaasd.” —On the Origin of Species, blz. 171,172 en174.
Darwin hoopte dat de tussenvormen alsnog gevonden zouden worden, maar dat gebeurde niet.

Nog steeds onopgeloste problemen

De Cambrium-explosie

Een ander probleem is dat er blijkbaar gedurende het Cambrium een grote hoeveelheid levensvormen plotseling verscheen. Evolutie gaat er van uit dat voor de ontwikkeling van nieuwe soorten veel tijd nodig was, maar in werkelijkheid ging het zo snel dat zelfs over ‘een explosie’ wordt gesproken. Als dan ook nog alle dieren reeds helemaal compleet en goed ontworpen zijn, dan wijst dat eerder op schepping dan op evolutie. Ik wilde wel eens wat meer weten over die Cambriumperiode. Wat heeft men eigenlijk precies gevonden?
Op een website over fossielen vond ik: “Een van de grootste onopgeloste problemen van de geologie en evolutie is het voorkomen van gevarieerde, meercellige ongewervelde zeedieren in de lagere gesteenten van het Cambrium op al de continenten en hun afwezigheid in rotsen van hogere leeftijd”
Dat is inderdaad wel vreemd. De website vervolgt met:
“Paleontologen hebben rotsen uit het Precambrium intensief onderzocht op voorouders van de dieren uit het Cambrium. Daniel Axelrod (16 juli 1910-02 juni 1998), een Amerikaanse paleontoloog, stelde vast dat dit een onopgelost probleem is. Na bespreking van de gevarieerde typen die gevonden worden in het Cambrium, zei Axelrod dat hun voorouders nergens te vinden zijn. Hij merkt op dat er vele rotsen bestaan die deze fossiele voorouders zouden moeten bevatten, als ze bestonden. Echter er zijn geen fossielen gevonden; integendeel, het leven schijnt plotseling ontstaan te zijn. Axelrod schrijft letterlijk: “Wanneer we echter de gesteenten van het Precambrium gaan onderzoeken op voorlopers van deze vroege fossielen uit het Cambrium, zijn ze nergens te vinden. Het is bekend dat vele (meer dan 1500m) dikke gedeelten sedimentgesteenten in ononderbroken opvolging liggen onder lagen die de eerste fossielen uit het Cambrium bevatten. Deze sedimenten waren klaarblijkelijk geschikt voor de conservering van fossielen, want zij zijn dikwijls identiek met de erboven liggende fossielhoudende rotsen, toch zijn er geen fossielen in gevonden”

Dit wordt ook nog bevestigd door de paleontoloog Alfred Romer. Hij schreef: „Onder deze [Cambriumperiode] bevinden zich uitgestrekte lagen afzettingen waarin men de voorouders van de Cambriumvormen zou mogen verwachten. Maar wij vinden ze niet; deze oudere lagen bevatten nagenoeg geen bewijzen van leven, en men zou redelijkerwijs kunnen zeggen dat het algemene beeld overeenkomt met de gedachte van een afzonderlijke schepping aan het begin van het Cambrium.” — Natural History, oktober 1959, blz. 467.

Is het probleem, zoals Axelrod en Romer dit destijds al beschreven nu intussen opgelost? Nee! In 2003 blijkt ‘het kernprobleem van de cambrische explosie’ nog steeds te bestaan. Ernst Mayr, de in 2005 overleden hoofdvertegenwoordiger van de moderne synthetische evolutietheorie die soms de “Darwin van de 20ste eeuw” werd genoemd, uitte zich er als volgt over:
“Bijna alle […] soorten duiken reeds in volledig ontwikkelde vorm op aan het einde van het precambrium en aan het begin van het cambrium, dat betekent ongeveer 565 tot 530 miljoen jaren geleden. Men heeft geen fossielen gevonden, die tussen hen staan, en ook tegenwoordig bestaan zulke tussenvormen niet. De soorten schijnen dus door onoverbrugbare leemten gescheiden te zijn.” — Ernst Mayr, Das ist Evolution, 3. A., München, 2003, blz. 74.

Het fossielenverslag stemt overeen met het Genesisverslag
Hé, wacht eens even. Mayr zegt: “De soorten schijnen dus door onoverbrugbare leemten gescheiden te zijn.” Is dit niet precies wat we ook in het Genesisverslag over de Schepping van de dieren kunnen lezen? Volgens Genesis 1:20-24 schiep God alle dieren “naar hun soort.” De bijbel leert niet dat de ene soort uit de andere is ontstaan, maar dat de Schepper elke Genesissoort afzonderlijk schiep. Over de eerste mens Adam wordt verteld dat hij uit de elementen van de aarde werd gemaakt en niet uit een of ander dier. Natuurlijk zijn er binnen een Genesissoort van zowel mensen als dieren wel allerlei variëteiten mogelijk. Maar er zijn ook wel degelijk grenzen aan de soort. Hoewel er bijvoorbeeld een grote verscheidenheid aan honden bestaat, zien we in de praktijk van het dagelijkse leven dat honden kleine hondjes krijgen en geen katten voortbrengen. Als we dit nu niet meer zien gebeuren waarom beweren evolutionisten dan, zonder het te kunnen bewijzen, dat in het verleden dergelijke soort- overschrijdende veranderingen wèl hebben plaatsgevonden?

Consequenties voor de levensboom van Darwin

De cover van New Scientist maakt duidelijk dat er iets mis is met de “levensboom”van Darwin.

Als evolutie waar is, zouden er in de ongeveer 150 jaar na Darwin enorm veel fossielen moeten zijn gevonden die overgangen van de ene levensvorm naar de andere levensvorm laten zien, maar die zijn niet gevonden. Als Schepping daarentegen waar is mag je verwachten dat alle dieren plotseling en al geheel compleet verschenen en dat blijkt inderdaad het geval te zijn. Maar wat zien we nu gebeuren? Ondanks dat het fossielenverslag als het ware tal van afzonderlijke bomen in een groot bos toont blijven evolutionisten toch vaak aan het verouderde idee van één gezamenlijke stamboom voor alle levensvormen vasthouden. Gelukkig zijn er ook geleerden die terecht op de consequenties van dit alles wijzen. Zo is er bijvoorbeeld Simon Conway Morris. Hij gaat er van uit dat het fossielenverslag toch betrouwbaar is en vroeg zich af, hoe deze waarneming dan met de strikt monophyletische visie (één enkele stamboom) van de evolutie kon overeenstemmen —, The question of metazoan monophyly and the fossil record, Progress in Molecular and Subcellular Biology 21, 1998, blz. 1-9.

Nieuwe evolutietheorie nodig?
Omdat al die verschillende levensvormen vrij plotseling verschenen zijn, hebben sommige evolutionaire onderzoekers vraagtekens gezet bij de traditionele versie van Darwins theorie en zijn zij nieuwe theorieën gaan bedenken. Zo zei de evolutionair bioloog Stuart Newman in 2008 in een interview door Susan Mazur dat er een nieuwe evolutietheorie nodig was om de plotselinge verschijning van nieuwe levensvormen te verklaren. Hij noemt dit de “uitgebreide evolutionaire synthese”. Newman en zijn geestverwanten introduceerden ook begrippen zoals ‘zelf-assemblage’,‘zelf-organisatie’ en ‘plasticiteit’.

Stuart Newman tijdens het interview

Hij is er zich van bewust dat zijn nieuwe theorie niet strookt met de leer van Darwin. Hij zegt daarover: “Ik denk dat zelforganisatie en plasticiteit een uitdaging vormt voor de darwinistische theorie, omdat de theorie van Darwin eigenlijk een theorie van geleidelijke verandering is. Als je geconfronteerd wordt met een zeer complexe structuur, dan is de darwinistische verklaring dat het beetje bij beetje werd opgebouwd over een lange tijdsperiode. Als je meegaat met zelf-organisatie, dan ondermijnt dat de darwinistische verklaringen.” Als Mazur hem vraagt naar de impact die de nieuwe theorie zal hebben zegt hij: “Ik denk dat het uiteindelijk gaat om een grote ommekeer in de evolutietheorie.”

Wat denkt u? Is het redelijk om te geloven dat alle levensvormen geleidelijk geëvolueerd zijn uit een gemeenschappelijke voorouder, ondanks het feit dat de fossielen duidelijk aangeven dat de hoofdsoorten van planten en dieren abrupt verschenen en niet tot andere soorten zijn geëvolueerd, zelfs niet gedurende miljarden jaren? Klinkt zo’n geloof alsof het gebaseerd is op feiten of op mythen? Is het verstandig om geloof te hechten aan theorieën waarover de geleerden het onderling nog niet eens zijn en die nog steeds veranderen? We zien nu in de natuur allerlei prachtig ontworpen levensvormen. Een goed principe zegt ons: Als er een ontwerp is moet er ook een ontwerper zijn. Het is dan ook alleszins redelijk om te geloven in een intelligente Schepper die alle schepselen geheel compleet “naar hun soort” heeft gemaakt. In de bijbel wordt zijn naam Jehovah duizenden keren genoemd. Het boek openbaart hem niet alleen als een almachtige, wijze en rechtvaardige God maar ook als een God die van ons houdt.—(Johannes 3:16)

Advertenties

Over gervanpoelgeest

gepensioneerd constructeur, natuurliefhebber
Dit bericht werd geplaatst in Evolutie, Fossielen, Intelligent Design en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Wat toont het fossielenverslag in feite aan? Evolutie of schepping?

  1. Jan zegt:

    het cambrium zou heel goed gedateerd kunnen worden op ca. 4.500 jaar geleden, toen was er namelijk een wereldwijde vloed! Bedankt voor alle mooie stukjes, hopelijk volgen er nog veel!

    • Wetenschappers hebben de geschiedenis van de aarde in tijdperken of era’s verdeeld. Deze tijdperken zijn weer onderverdeeld in perioden. Ik heb zelf ook mijn twijfels over de lengte van de door hen genoemde perioden, maar als we ervan uitgaan dat de door hen beschreven volgorde wel klopt dan zou het alsvolgt zijn gegaan: Het eerste geologische tijdperk wordt het Azoïcum genoemd, omdat er geen fossielen in worden aangetroffen. Dan komt het Paleozoïcum, met als eerste periode daarin het Cambrium, dat de eerste fossielen oplevert. In het tijdperk van het Mesozoïcum zijn de dinosaurusskeletten en ook de eerste vogels en kleine zoogdieren gevonden. In het laatste tijdperk, het Cenozoïcum, overheersen de grote zoogdieren. Ten slotte worden in het Pleistoceen artefacten, voorwerpen die menselijke bewerking vertonen, en fossiele beenderen van mensen gevonden. Nu terug naar jouw opmerking. Er is in ca. 2370 v. Chr. inderdaad een wereldomvattende vloed geweest. Maar in die tijd leefden er reeds mensen waaronder Noach en zijn gezin. In het Cambrium leefden er nog geen mensen. De Cambriumperiode was dus ver voor de vloed in Noach’s dagen. Het is overigens wel interessant dat de volgorde waarin de levensvormen in de geologische kolom verschijnen, nauwe overeenkomst vertoont met de volgorde in het Genesisverslag.

Reacties zijn gesloten.