De complexe cel en het wonder van fotosynthese

De technologie van de twintigste eeuw heeft zich verdiept in de kleinste deeltjes van het leven, en er is gebleken dat de cel het meest complexe systeem is waarmee de mensheid ooit werd geconfronteerd. We weten nu dat de cel centrales bevat die de energie produceren die wordt gebruikt door de cel, fabrieken die de enzymen en hormonen produceren die essentieel zijn voor het leven, een databank waarin alle nodige informatie over alle producten die worden geproduceerd is opgenomen, complexe transportsystemen en pijpleidingen voor het vervoer van grondstoffen en producten van de ene plaats naar de andere, geavanceerde laboratoria en raffinaderijen voor het afbreken van externe grondstoffen in bruikbare onderdelen, en gespecialiseerde celmembraan- eiwitten die de inkomende en uitgaande materialen controleren. En dit is nog maar een klein deel van dit ongelooflijk complex systeem.

WH Thorpe, een evolutionistische wetenschapper, erkent dat “de meest elementaire aard van de cel een ‘mechanisme’ vormt dat onvoorstelbaar veel complexer is dan welke machine maar ook die door de mens bedacht ofgebouwd is.” Een cel is zo complex dat zelfs het hoge niveau van de technologie dat vandaag de dag is bereikt er niet een kan produceren. Geen enkele poging om een kunstmatige cel te maken heeft ooit succes gehad. Werkelijk, alle pogingen om dit te doen zijn op niets uitgelopen. In feite is de kans dat een cel toevallig wordt geproduceerd ongeveer dezelfde als dat er een perfect exemplaar van een boek zou ontstaan door een explosie in een drukkerij.
De Engels wiskundige en astronoom Sir Fred Hoyle maakte een soortgelijke vergelijking in een interview gepubliceerd in het tijdschrift Nature op 12 november 1981. Hoewel zelf een evolutionist, verklaarde Hoyle dat de kans dat hogere levensvormen op deze manier zouden kunnen zijn ontstaan vergelijkbaar is met de kans dat een tornado door een vliegtuigonderdelenmagazijn zou blazen en er dan uit de materialen daarin een Boeing 747 zou worden samengesteld. Dit betekent dat het niet mogelijk is dat de cel door toeval is ontstaan , en daarom moet hij zeker zijn “aangemaakt.”
Een van de fundamentele redenen waarom de evolutietheorie niet kan verklaren hoe de cel is ontstaan is de ‘ onherleidbare complexiteit ‘ die er in aanwezig is. Een levende cel onderhoudt zich met behulp van de harmonieuze samenwerking van vele organellen. Als slechts een van deze organellen niet functioneert, kan de cel niet in leven blijven. De cel heeft dus geen kans om te wachten op onbewuste mechanismen, zoals natuurlijke selectie of mutatie en die tijd toe te staan om dat organel te ontwikkelen. Dus, de eerste cel op aarde was noodzakelijkerwijs een volledige cel die alle vereiste organellen en functies al bezat, en dit betekent zeker dat deze cel moest zijn gemaakt.

Het wonder van fotosynthese.
Nog iets wonderlijks. Groene bladeren gebruiken energie van de zon, koolzuurgas uit de lucht en water van de wortels van de plant om suiker te maken, waarbij ze zuurstof afgeven. Dit proces wordt fotosynthese genoemd, en het vindt plaats in cellichaampjes die chloroplasten heten — zo klein dat er 400.000 in de punt aan het eind van deze zin kunnen. Geleerden hebben nog geen volledig begrip van dit proces. „Bij fotosynthese zijn ongeveer zeventig afzonderlijke chemische reacties betrokken”, zei een bioloog. „Het is werkelijk een wonderbaarlijk proces.”Groene planten zijn wel de „fabrieken” van de natuur genoemd — prachtig om te zien, geruisloos en schoon, produceren ze zuurstof, brengen ze water in de atmosfeer terug en voeden ze de wereld. Zijn ze zomaar door toeval ontstaan? Vindt u dat echt geloofwaardig?
Sommigen van de beroemdste geleerden ter wereld vonden het moeilijk om dat te geloven. Zij zien hoe de natuur van intelligentie getuigt. De natuurkundige en Nobelprijswinnaar Robert A. Millikan gelooft weliswaar in evolutie, maar zei op een bijeenkomst van de American Physical Society: „Er is een Godheid die onze doeleinden vorm geeft . . . Een zuiver materialistische filosofie is voor mij het toppunt van onintelligentie. Wijze mannen hebben door alle eeuwen heen altijd voldoende gezien om hen op zijn minst eerbiedig te maken.” In zijn toespraak haalde hij de opmerkelijke woorden van Albert Einstein aan, die zei dat hij „nederig trachtte om zelfs maar een oneindig klein gedeelte te begrijpen van de intelligentie waarvan de natuur getuigt”.

Fijnafgestemde krachten in de natuur
Veel onderzoekers die de natuurwetten bestuderen zijn onder de indruk van de fundamentele krachten die het universum besturen. De wetten die aan deze krachten ten grondslag liggen, lijken op een dusdanige manier te zijn afgestemd dat ze een universum opleveren dat het leven in stand kan houden. „Als de bestaande wetten ook maar een fractie zouden worden veranderd, zou dat fatale gevolgen hebben”, zegt de bekende fysicus Paul Davies.
Een gering verschil in bijvoorbeeld de elektromagnetische kracht zou van invloed zijn op de zon en de zonne-energie die onze aarde bereikt. Zo’n verschil zou de fotosynthese in planten moeilijk of onmogelijk kunnen maken. De precieze intensiteit van de elektromagnetische kracht bepaalt dus of leven op aarde mogelijk is of niet.
Overal om ons heen zijn bewijzen van ontwerp te zien, in een eindeloze verscheidenheid en met een wonderbaarlijke ingewikkeldheid, hetgeen op een superieure intelligentie wijst. Deze conclusie wordt ook in de bijbel onder woorden gebracht, waar ontwerp wordt toegeschreven aan een Schepper wiens „onzichtbare hoedanigheden . . . van de schepping der wereld af duidelijk [worden] gezien, omdat ze worden waargenomen door middel van de dingen die gemaakt zijn, ja, zijn eeuwige kracht en Godheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn”. — Romeinen 1:20.
Met zo veel bewijzen van ontwerp in het leven om ons heen, schijnt het inderdaad „niet te verontschuldigen” wanneer men zegt dat er ongeleid toeval achter schuilt. Het is derhalve beslist niet onredelijk dat de psalmist een intelligente Schepper de eer geeft: „Hoe talrijk zijn uw werken, o Jehovah! Gij hebt ze alle in wijsheid gemaakt. De aarde is vol van uw voortbrengselen. Wat deze zee betreft, zo groot en wijd, daarin is dat wat zich roert zonder tal.” — Psalm 104:24, 25.

Advertenties

Over gervanpoelgeest

gepensioneerd constructeur, natuurliefhebber
Dit bericht werd geplaatst in Evolutie, Fossielen, Intelligent Design, Menselijk lichaam, Natuur, Planten en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op De complexe cel en het wonder van fotosynthese

  1. Cor zegt:

    Ger, Je haalt steeds twee dingen door elkaar, ontstaan van leven en evolutie. Een fout opvatting die veel creationisten gemeen hebben. Evolutie nam pas het “estafettestokje” over toen het leven ontstaan was.
    Het is in het geheel niet extreem om in evolutie te geloven. Hierover zijn veel goede wetenschappelijke boeken geschreven en in de musea liggen de bewijsstukken opgestapeld. Ik heb in mijn leven veel musea bezocht en veel prachtige fossielen gezien. De evolutie van de achterliggende miljoenen jaren speelt zich als het ware voor je ogen af.
    Maar mijn geloof in de evolutie is natuurlijk iets anders dan te geloven in een God ,waarvoor geen enkel, maar ook geen enkel bewijs bestaat. Dus Ger, ik neem jouw laatste zin dan moeiteloos over, om in God te (blijven) geloven moet je wel een héél groot geloof hebben.
    Cor

    • HOE ZIT HET MET DE FOSSIELEN?
      Is het werkelijk zo dat je, als je fossielen in musea ziet, je de evolutie zich voor je ogen ziet afspelen? Veel wetenschappers wijzen inderdaad op de gevonden fossielen om het idee te ondersteunen dat het leven een gemeenschappelijke oorsprong heeft. Ze voeren bijvoorbeeld aan dat fossielen het idee bevestigen dat vissen in amfibieën zijn veranderd en reptielen in zoogdieren. Maar wat laten de fossielen echt zien?
      David Raup, een evolutionair paleontoloog, zegt: „Er wordt geen geleidelijke ontwikkeling van het leven aangetroffen, maar de geologen uit Darwins tijd en van nu vinden juist een heel ongelijk of onregelmatig archief; soorten verschijnen heel plotseling in de reeks, geven tijdens hun bestaan weinig of geen verandering te zien en verdwijnen dan abrupt uit het archief.”— Field Museum of Natural History Bulletin, „Conflicts Between Darwin and Paleontology”, David M. Raup, januari 1979, blz. 23.
      De realiteit is dat de overgrote meerderheid van de fossielen laat zien dat levensvormen in de loop van zeer lange periodes gelijk zijn gebleven. De bewijzen laten niet zien dat ze van de ene levensvorm in de andere veranderen. Unieke lichaamstypen verschijnen plotseling. Nieuwe kenmerken verschijnen plotseling. Vleermuizen bijvoorbeeld die gebruikmaken van sonar en echolocatie verschijnen zonder duidelijke link met een primitievere voorloper.
      Het is zelfs zo dat meer dan de helft van alle diergroepen in een relatief korte periode lijkt te zijn verschenen. Omdat zo veel nieuwe en afzonderlijke levensvormen zo plotseling in het fossielenarchief verschijnen, noemen paleontologen deze periode „de cambrische explosie”. Wanneer was het cambrium?
      Als we ervan uitgaan dat de schattingen van wetenschappers kloppen, zou je de geschiedenis van de aarde kunnen weergeven als een tijdbalk die zich over de lengte van een voetbalveld uitstrekt. Dan zou je ongeveer zeven achtste van het veld moeten afleggen voordat je bij de periode zou komen die door paleontologen het cambrium wordt genoemd. In een klein deel van die periode verschijnen de belangrijkste diergroepen in het fossielenarchief. Hoe plotseling verschijnen ze? Als je over het voetbalveld loopt, verschijnen al die verschillende dieren in een stukje dat kleiner is dan één stap!
      Omdat al die verschillende levensvormen vrij plotseling verschenen zijn, hebben sommige evolutionaire onderzoekers vraagtekens gezet bij de traditionele versie van Darwins theorie. De evolutionair bioloog Stuart Newman zei in 2008 in een interview dat er een nieuwe evolutietheorie nodig was om de plotselinge verschijning van nieuwe levensvormen te verklaren. Hij zei: „Het darwinistische mechanisme dat gebruikt wordt om alle evolutionaire veranderingen te verklaren, zal naar mijn mening gedegradeerd worden tot slechts een van de vele methoden — en misschien niet eens de belangrijkste als het erom gaat macro-evolutie te begrijpen, de evolutie van belangrijke overgangen in lichaamstype.”— Archaeology, „The Origin of Form Was Abrupt Not Gradual”, Suzan Mazur, 11 oktober 2008, (www.archaeology.org/online/ interviews/newman.html), geraadpleegd op 23 februari 2009.
      Hier zijn nog enkele interessante uitspraken over fossielen:
      „Een reeks fossielen nemen en beweren dat ze een afstammingslijn vertegenwoordigen, is geen wetenschappelijke hypothese die getoetst kan worden, maar een bewering die net zo veel waard is als een verhaaltje voor het slapengaan: grappig, en misschien zelfs leerzaam, maar niet wetenschappelijk” (In Search of Deep Time — Beyond the Fossil Record to a New History of Life, Henry Gee, blz. 116, 117)
      Een artikel in de National Geographic van 2004 beschreef fossielen als „een film van de evolutie waarvan 999 van elke 1000 frames verloren zijn gegaan op de vloer van de montagekamer”.— National Geographic, „Fossil Evidence”, november 2004, blz. 25. Wat houdt die vergelijking in?
      Stel dat je honderd frames zou vinden van een speelfilm die oorspronkelijk uit honderdduizend frames had bestaan. Hoe zou je dan achter de plot van de film komen? Misschien heb je bij voorbaat al een idee. Maar wat nu als je niet meer dan vijf van de honderd gevonden frames in een volgorde kunt leggen die de plot ondersteunen die jij in gedachten hebt, terwijl de andere 95 frames een heel ander verhaal vertellen? Zou het dan redelijk zijn om te beweren dat het idee dat je vooraf over de film had, klopt vanwege die vijf frames? Heb je de vijf frames misschien in die volgorde gelegd omdat ze met jouw theorie kloppen? Zou het niet redelijker zijn om je mening te laten beïnvloeden door de andere 95 frames?
      Wat is het verband tussen die vergelijking en de manier waarop evolutionisten tegen het fossielenarchief aankijken? Onderzoekers hebben jarenlang niet toegegeven dat de meeste fossielen (de 95 frames van de film) aantonen dat soorten in de loop van de tijd amper veranderen. Waarom wordt er niets gezegd over zulk belangrijk bewijsmateriaal? De schrijver Richard Morris zegt: „Blijkbaar hebben paleontologen het conventionele idee van geleidelijke evolutionaire verandering geaccepteerd en daaraan vastgehouden, zelfs toen ze bewijzen tegenkwamen die op het tegendeel duidden. Ze probeerden fossiele bewijzen zo te interpreteren dat die overeenkwamen met conventionele evolutionaire ideeën.”— The Evolutionists — The Struggle for Darwin’s Soul, Richard Morris, 2001, blz. 104, 105.
      Dit alles overwegend denk ik dan dat ook de fossielen geen al te sterk bewijs zijn voor toevallige evolutie. Wat vind je zelf?
      Ger

Reacties zijn gesloten.